2019-09-18

Bonje

ruzie, twist: het is weer bonje ‘er is weer ruzie’; bonje trappen ‘herrie schoppen’. Het Bargoense woord bonje, waarvan de etymologie niet bekend is, had aanvankelijk een heel andere bet. dan ‘ruzie, herrie’. In de 18de eeuw komt de uitdr. bonje geschoten ‘in een rel betrokken’ voor. Koster Henke vermeldt nog bonjer komen ‘gesnapt worden’. En Beppie kruipt naast je. En ineens ga je bonje trappen. (Simon Carmiggelt: Morgen zien we wel weer, 1967) Schijtebroeken, bang voor bon...

Lees verder
2019-09-18

bonje

Het begrip bonje heeft 2 verschillende betekenissen: 1) ruzie; herrie 2) keer dat iemand bonje maakt; geval van bonje

Lees verder
2019-09-18

bonje

bonje - zelfstandig naamwoord uitspraak: bon-je 1. toestand van kwaad zijn op elkaar ♢ mijn ouders hebben weer bonje Zelfstandig naamwoord: bon-je de bonje Synoniemen conflict, geschil, heibel, meningsverschil, onenigheid, ongenoegen, onvrede, ruzie, stront, twist, verdeeldheid, wrijving Tegenstellingen genoegen, harmonie

Lees verder
2019-09-18

bonje

bonje - Zelfstandignaamwoord 1. ~ hebben (informeel) ruzie hebben Ze hadden weer eens bonje over niets.

Lees verder
2019-09-18

bonje

ruzie, herrie In 1752 voor het eerst opgenomen in een Bargoense woordenlijst, getiteld ‘Tenzaeme gevoegt opstel van de zoogenoemde Bourgondische Dieventaal als meede van de Joodse dieven en Landloopers Tael’. Het komt hierin voor in de verbinding bonje schieten, met als omschrijving ‘verstooren, namelijk wanneer de dieven verstoord worden of de zakkenrolders onder het gemeene volk in de maaling komen of slagen krijgen’. Vervolgens werd bonje geschoten gebruikt voor ‘in ee...

Lees verder
2019-09-18

Bonje

Zie Bone

2019-09-18

bonje

bonje - v./m., ruzie, herrie.