Wat is de betekenis van Boeldag?

1999
2022-05-20
Encyclopedie Groningen

Nieuwe Groninger Encyclopedie

Boeldag

Boerenboeldagen behoorden, naast kermissen, tot ver in de 19de eeuw tot de belangrijkste vermakelijkheden op het platteland. Kopers, maar vooral kijkers kwamen van heinde en ver. In de schuur stonden lange tafels en banken en de plaatselijke kastelein verzorgde de tapperij. Op een oude deur op twee pakken stro zat de speelman, die op zijn accordeon...

Lees verder
1973
2022-05-20
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Boeldag

m. (-en), verkoopdag van een boedel; boerenboeldag, veiling van de inboedel, het vee en de gereedschappen van een landbouwer.

1954
2022-05-20
Agrarisch

Agrarisch Encyclopedie

Boeldag

(volkskunde) Eigenlijk boedeldag, nl. de dag, waarop de boedel wordt verkocht. Een boerenboeldag was tot ver in de tweede helft van de 19e eeuw tevens een kermis. THINEUS vertelt ervan in Ons Dorp van 1846: In de schuur was een lange rij tafels en banken gezet; ‘s avonds werd alles met kaarsen verlicht. De tapper bediende ‘t gehele ge...

Lees verder
1950
2022-05-20
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Boeldag

m. (-en), verkoopdag van een boedel; — boerenboeldag, veiling van de inboedel, het vee en de gereedschappen van een landbouwer.

1937
2022-05-20
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

boeldag

m. boeldagen (dag, waarop boelhuis wordt gehouden).

1898
2022-05-20
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Boeldag

BOELDAG, m. (-en), verkoopdag van een boedel: — boerenboeldag, veiling van den inboedel, het vee en de gereedschappen van een landbouwer.

Lees verder