2019-12-05

boef

boef - Zelfstandignaamwoord 1. iemand die zich onbehoorlijk of misdadig gedraagt - De boeven werden op heterdaad betrapt. - Hij was zowel boef als bevrijder. Tijdens het bestuur van de rechtse Boigny, een stamhoofd en de zoon van een rijke plantagehouder, belichaamde de linkse Gbagbo de hoop op een breuk met het koloniale verleden. Nergens in Afrika had een oud-kolonisator zo veel invloed als Frank...

2019-12-05

Boef

Boef - een van de vele termen voor een niet-corpslid. Eng. barb, hallman; Du. Kamel.

2019-12-05

Boef

BOEF, m. (boeven), deugniet guit, schelm schurk, galeiboef; — (voorheen) dobbelaar, speler, valsche speler; — (gew.) ik ben boef, gezegd door een dobbelaar die het laatst moet werpen of de rest der centen ontvangt; — (in sommige plaatsen) student die geen lid van het corps is. Boefje, o. (-s), kleine boef; (ook) aardige kleine snuiter.

2019-12-05

boef

boef - zelfstandig naamwoord 1. iemand die slechte dingen doet ♢ de politie achtervolgt de boef 2. ondeugend kind ♢ die Bas is een echte boef! Zelfstandig naamwoord: boef de boef de boeven het boefje Synoniemen bandiet, crimineel, ellendelin...

2019-12-05

boef

boef - m. (boeven), 1. boosdoener, schurk, schavuit; 2. ik ben —, gezegd door een dobbelaar die het laatst moet werpen of de rest van de centen krijgt.