Wat is de betekenis van bod?

2023
2023-02-06
WhatsApp woordenboek

redactie Ensie

BOD

Beginning of Day

2019
2023-02-06
Willem G. Keeris

Willem G. Keeris (1942) is emeritus hoogleraar Vastgoedmanagement en tevens visiting professor bij de groep Real Estate & Housing van de faculteit Bouwkunde van de Technische Universiteit Delft.

Bod

Bod is de algemeen gehanteerde, niet gespecificeerde benaming voor het uitgebrachte bedrag bij een aankooptransactie van de zijde van de potentiële gegadigde koper, waarbij – naast het daarmee tot uitdrukking gebrachte geldbedrag – eventueel bepaalde specifieke daarbij gelden-de voorwaarden en gemaakte voorbehouden zijn inbegrepen....

Lees verder
2019
2023-02-06
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

bod

bod - Zelfstandignaamwoord 1. (handel) een door een koper voorgestelde prijs Zijn bod was veel te laag. 2. (handel) de handeling van het bieden Ze deed een bod op de antieke tafel. Uitdrukkingen en gezegden ♦ aan...

Lees verder
2018
2023-02-06
Openbaar Ministerie

Begrippenlijst Openbaar Ministerie

BOD

BOD is een bijzondere opsporingsdienst (zoals ECD en Fiod).

2018
2023-02-06
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

bod

bod - zelfstandig naamwoord 1. bedrag dat je biedt ♢ ik heb een bod gedaan op dat bijzondere boek 1. aan bod zijn [aan de beurt zijn] 2. niet aan bod komen ...

Lees verder
2003
2023-02-06
Lexicon Energiemarkt

Jean-Paul Pinon

Bod

In de richting van de congestie omvat een bod voor capaciteit de prijs die een partij ten hoogste wil betalen voor capaciteit op die verbinding in de richting van de congestie (artikel 5.6.10.3 NetCode). In de tegengestelde richting van de congestie omvat een bod voor capaciteit de prijs die een partij ten minste wil ontvangen voor transport in teg...

Lees verder
1998
2023-02-06
drs. Toine van Hoof

AUTEUR VAN HET BRIDGE WOORDENBOEK - "BRIDGE OPZOEKBOEK" (UITGAVE 1998)

bod

Het noemen van een aantal trekken (1, 2, 3, 4, 5, 6 of 7) en een speelsoort (klaveren, ruiten, harten, schoppen of sans atout). Net als bij een veiling dient ieder bod het voorgaande bod te overtreffen. Het laagste bod is 1♣. Dan volgt 1♦, 1♥, 1♠, 1SA, 2♣ enz. Het hoogste bod is 7SA. De partij die op een spel het hoogste bod doet, neemt op zich ten...

Lees verder
1990
2023-02-06
Art & Architecture Thesaurus

Art & Architecture Thesaurus

bod

bod - Voorstel om tegen een vastgestelde prijs een bepaalde taak of een bepaald stuk handwerk te verrichten dan wel materialen of goederen te leveren.

1973
2023-02-06
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Bod

o. (g. mv.), 1. de handeling van bieden: wie is er aan bod?, wie moet bieden, of: heeft het laatst geboden?, wie is aan de beurt; een bod naar iets doen, er iets voor bieden; (fig.) staan, dingen naar; twee aan bod (bij verkopingen), twee bieden tegelijkertijd hetzelfde; de eerste, het eerst aan bod zijn, er het eerst bij zijn om zijn recht te doen...

Lees verder
1952
2023-02-06
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Bod

s.n., bod (it); een — doen, biede; zijn — gestand doen, foar jins bod stean.

1950
2023-02-06
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Bod

o., g. mv., 1. de handeling van bieden: wie is er aan bod ? wie moet bieden, of: heeft het laatst geboden ? een bod naar iets doen, er iets voor bieden; ook fig.: staan, dingen naar ; — twee aan bod (bij verkopingen), twee bieden tegelijkertijd hetzelfde; — de eerste, het eerst aan bod zijn, er het eerst bij zijn om zijn recht te doen g...

Lees verder
1937
2023-02-06
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

bod

o. (aanbod: het bieden; de geboden som): een bod doen (naar), naar iets bieden; het hoogste bod doen, zijn bod verhogen; twee aan bod, twee bieden hetzelfde; wie is er aan bod, moet bieden?

1930
2023-02-06
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

bod

(bot) o. 1. Eig. het bieden : het hoogste doen; hoe hoog staat dat huis in -? een naar iets doen, ook Fig. naar iets dingen, staan. Gez. aan een blijven hangen, bij het bieden, zich iets toegewezen zien tegen zijn zin; aan (het) komen, beginnen te bieden; aan (het) zijn, bezig zijn te bieden; de eerste, de naaste aan 't zijn, recht hebben op...

Lees verder
1916
2023-02-06
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Bod

Bod - of Baud, schatplichtig staatje in Orissa, Eng. Indië, met een oppervl. van ± 5500 K.M2. en 100.000 inw. De bodem is zeer vruchtbaar en goed besproeid, levert vooral rijst, die gemakkelijk vervoerd kan worden langs de Mahanadi, die in de Golf van Bengalen mondt. De hoofdstad heet eveneens B.; 3000 inw.; heeft vele oude tempels.

1910
2023-02-06
Handelslexicon

Handelslexicon (1910) door J. Hagers

Bod

Bod - de som gelds, die de kooper den verkooper biedt, zegt te willen besteden.

1908
2023-02-06
Vivat

Schrijver op Ensie

Bod

of Boad. Schatplichtig staatje in Engelsch-Indië, Orissa, 2064 vierk. engelsche mijlen groot, 60.000 inw.; en een gelijknamige hoofdplaats.

1898
2023-02-06
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Bod

BOD, o. de som gelds die de kooper verklaart te willen betalen; de handeling van het bieden; — zijn bod verbeteren, meer bieden; — een bod naar iets doen, naar iets staan, dingen (ook fig.); — een heel bod naar iets doen, voor iets in aanmerking komen; — iem. bij *t eerste bod den koop toeslaan, bij eene onvoorzichtige be...

Lees verder
1864
2023-02-06
Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal

I.M. Calisch (1864)

Bod

Bod, o. gmv. aanbieding, aanbod; een - doen, geld bieden; het hoogste - doen, den hoogsten prijs bieden. *-BIEDER, m. (-s), *-BIEDSTER, v. (-s), die het hoogste biedt (bij eene verkooping).

Lees verder
1573
2023-02-06
Etymologicum 1573

Kiliaans Etymologicum Teutonicae Linguae

Bod

vetus . j. ghe-bod.

Lees verder