Bocht
I. v. (-en), 1. buiging, kromming in een lijn of wat zich als een lijn uitstrekt, afwijking van de juiste richting : er zit een bocht in die staaf ; het touw hangt met een bocht; — zich (als een aal) in allerlei bochten wringen, heftige pogingen doen om vooruit of weg te komen, te ontglippen enz.; oneig. : alle pogingen aanwenden om aan een b...