Wat is de betekenis van bloei?

2024-02-29
Nederlandstalige WikiWoordenboek

Wiktionary (2019)

bloei

bloei - Zelfstandignaamwoord 1. (plantkunde) het bloeien van boom of plant - In augustus hebben de paardenbloemen een tweede bloei. - Nee, het pluis is afkomstig van populieren en komt pas vrij na de bloei van deze bomen. 2. (figuurlijk) een to...

2024-02-29
Muiswerk Educatief

Muiswerk Educatief (2017)

bloei

bloei - zelfstandig naamwoord 1. het bloeien van boom of plant ♢ de perenboom staat in bloei 2. toestand waarin iemand of iets op zijn best is ♢ in de middeleeuwen kwam de stad tot bloei ...

2024-02-29
Wijn & drank Encyclopedie

Jan Zellenrath (1979)

Bloei

Het verschijnen van de bloesem aan de plant. In de wijnbouw duidt dit woord de periode aan dat de wijnplant in bloei staat, aan het eind waarvan de groene besjes verschijnen waaruit druiven zullen groeien.

2024-02-29
Zuid-afrikaans woordenboek

H.J. Terblanche - M.A., D. Litt

bloei

toestand van plant terwyl dit bloeisels dra; gunstige toestand; beste jare; vloei van bloed; gebloei, bloeisels dra; in voorspoed toeneem; bloed laat uitvloei; ooreis; treur.

Wil je toegang tot alle 14 resultaten?

Ja, ik word vriend van Ensie!
2024-02-29
Agrarisch Encyclopedie

Veerman (1954)

Bloei

1. (plantk.) Reeks van processen, waarbij de plant van de vegetatieve in de reproductieve phase overgaat. De eerst waarneembare verandering bestaat in het aanleggen van bloem- of bloeiwijze-primordia in het groeipunt, in plaats van de voor de vegetatieve toestand kenmerkende bladprimordia. De bloemprimordia ontwikkelen zich tot bloemknoppen, welke...

2024-02-29
Frysk Wurdboek (Friesch woordenboek)

Fa. A.J. Osinga (1952)

Bloei

s., bloei; in vollestaan, yn (’e) top stean; (welvaart), fleur, (wol)tier, foarsje.

2024-02-29
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Bloei

m., 1. het bloeien, toestand ener bloesemdragende plant: de bloei valt in April; in bloei staan; in volle bloei; bloemen in bloei trekken, tot bloeien brengen; — oneig.: de bloei zit in het water, de vis is overvloedig, men vangt veel; 2. (fig.) de bloei der jaren, toestand van volle ontplooiing der...

2024-02-29
Verklarend handwoordenboek der Nederlandse taal

M. J. Koenen's (1937)

bloei

m. (het bloeien, bloesems dragen): de kersen stonden in volle bloei, waren vol bloesems; fig. in de bloei des levens, der jaren; de bloei van de handel, krachtige ontwikkeling.

2024-02-29
Katholieke Encyclopaedie

Uitgeverij Joost van den Vondel (1933-1939)

Bloei

Bloei - (veeteelt), een spronggewrichtsgal, een overmatige slijmvochtophooping op de voorvlakte van het spronggewricht van een paard.

2024-02-29
Modern Woordenboek

Jozef Verschueren (1930)

bloei

m. I. Eig. het bloeien : in komen, staan; bloemen in trekken, tot bloeien brengen. Syn. bloem, bloesem. II. Metf. 1. gunstige toestand : de der jaren, de beste jaren van het leven; tot - en wasdom komen, gedijen. Syn. fleur, voorspoed, welstand, welvaart. welvaren, welzijn. 2. hoge ontwikkeling : de der kunsten.

2024-02-29
Oosthoek Encyclopedie

Oosthoek's Uitgevers Mij. N.V (1916-1925)

Bloei

m., 1. het bloeien, toestand van een bloesemdragende plant: de bloei valt in april; in bloei staan; in volle bloei; bloemen in bloei trekken, tot bloeien brengen; (oneig.) de bloei zit in het water, de vis is overvloedig, men vangt veel; 2. (fig.) in de bloei van zijn jaren zijn, toestand van volle ontplooiing van zijn vermogens; zeer gunstige toe...

2024-02-29
Groot woordenboek der Nederlandsche taal

J.H. van Dale (1898)

Bloei

BLOEI, m. het bloeien, toestand eener bloesemdragende plant; — in bloei staan, vol bloesem; in vollen bloei; bloemen in bloei trekken, tot bloeien brengen; — (fig) de bloei der jaren, de beste jaren des levens; — zeer gunstige toestand de bloei der kunsten; de bloei des handels, eener maatschappij: — tot bloei en wasdom k...

2024-02-29
Handwoordenboek van Nederlandsche synoniemen

J.V. Hendriks (1898)

Bloei

zie Welstand.

2024-02-29
Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal

I.M. Calisch (1864)

Bloei

Bloei, m. gmv. gezonde toestand eener bloesemdragende plant; in - staan; (fig.) de - der jaren, des levens; de - des handels, eener maatschappij; tot - en wasdom komen, gedijen, goed tieren (zoo wel van planten als fig.). *-JEN, ow. gel. (ik bloeide, heb gebloeid), in bloei staan, bloesem dragen, tot bloei komen (ook fig.); dit kind kan hier groeij...