Wat is de betekenis van blaam?

2019
2022-12-04
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

blaam

blaam - Zelfstandignaamwoord 1. een slechte reputatie - Je moet geen blaam op hem werpen. - Ons treft geen blaam, dus keur al ons werk maar goed. Dat is wat de commissarissen en bestuurders van Volkswagen de aandeelhouders vragen om volgende maand te doen...

Lees verder
1980
2022-12-04
Van aalmoes tot zwijntjesjager

Geschreven door Dr. E. Schröder, 1980

Blaam

Blaam is: slechte naam, ongunstige reputatie en ook: berisping, hoorn, schande. Men spreekt over een ridder zonder vrees of blaam: een ridder, die nergens bang voor is en die een vlekkeloze naam draagt. Evenals het Engelse to blame gaat blaam terug op het Franse blâmer, dat afkomstig is van het Latijnse blasphemare, een uit het Grieks overgen...

Lees verder
1973
2022-12-04
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Blaam

v./m., 1. (wat gezegd wordt tot) afkeuring, berisping; 2. smet, vlek op iemands eer of goede naam: altijd zal die blaam op hem kleven; een op iemand leggen, werpen; iemand een aanwrijven.

Lees verder
1952
2022-12-04
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Blaam

s., blaem.

1950
2022-12-04
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Blaam

v., 1. (wat gezegd wordt tot) afkeuring, berisping; 2. smet, vlek op iem.’s eer of goede naam: altijd zal die blaam op hem kleven; een blaam op iem. leggen, werpen ; iem. een blaam aanwrijven.

Lees verder
1937
2022-12-04
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

blaam

v. (1 afkeuring; berisping; 2 smet): 1. hij verdient geen blaam, maar lof; 2. een ridder zonder vrees of blaam, iem., wien men niets kan verwijten; er kleeft een blaam op hem, op die familie; iemand een blaam aanwrijven.

Lees verder
1930
2022-12-04
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

blaam

(bla:m) v. [Fr. < Lat. blasphemare, laken] 1. Algm. al wat tot afkeuring gezegd wordt: hij verdient geen maar lof. 2. Inz. a. smet, vlek : er kleeft geen op hen; een op iemand leggen, werpen, b. lasterlijke aantijging : iemand een aanwrijven. Syn. verwijt. Tgst. lofspraak.

Lees verder
1911
2022-12-04
pluim

Keur van Nederlansche woordafleidingen

Blaam

van ’t Fr. blâme (cl.i. oorspr. blasme) en dit van ’t Gr. en Lat. : blasphemum — laster.

1908
2022-12-04
Vivat

Schrijver op Ensie

Blaam

Smet, schande, afkeuring, ongunstige meening.

1898
2022-12-04
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Blaam

BLAAM, v. afkeuring, berisping; ongunstige meenmg altijd zal die blaam op hem kleven; eene blaam op iem. leggen; — iem. eene blaam aanwrijven, iemand belasteren.

Lees verder
1864
2022-12-04
Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal

I.M. Calisch (1864)

Blaam

Blaam, m. gmv. berisping, ongunstige meening; altijd zal die - op hem kleven; iemand eenen - aanwrijven, iemand belasteren.