Wat is de betekenis van Bisschop?

2020
2021-03-01
Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

bisschop

geestelijke in de katholieke kerk. hoge geestelijke in de anglicaanse kerk, katholieke kerk of oudkatholieke kerk die veelal aan het hoofd staat van een bisdom en die in rang hoger is dan een deken en lager dan een aartsbisschop. Voorbeelden: Bij installaties en bijzondere vieringen (jubilea, uitvaarten van pastores) gaat de deken (m...

Lees verder
2019
2021-03-01
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

bisschop

bisschop - Zelfstandignaamwoord 1. (religie) (beroep) een christelijke geestelijke die aan het hoofd staat van een bisdom - Hij is al jaren een residerende bisschop. - Paus Franciscus heeft zaterdag nieuwe regels uitgevaardigd die het makkelijker moeten maken ...

Lees verder
2018
2021-03-01
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

bisschop

bisschop - zelfstandig naamwoord uitspraak: bis-schop 1. hoofd van de katholieke priesters in een bepaald gebied ♢ de bisschop droeg een mijter Zelfstandig naamwoord: bis-schop de bisschop ...

Lees verder
2009
2021-03-01
Sinterklaaslexicon

Sinterklaas van A tot Z door Marie-José Wouters

Bisschop

Een bisschop is een priester van een hogere rang dan een gewone priester, meestal belast met het bestuur van een bisdom. Nicolaas was bisschop van → Myra en wordt in de westerse kunst meestal gekleed als bisschop uitgebeeld, met koorkap, mijter en kromstaf. Ook Sinterklaas wordt bisschop genoemd en draagt bisschops-kleding. → Kleding van...

Lees verder
2004
2021-03-01
lesmethode Memo

Geschiedenisles voor bovenbouw

Bisschop

Bestuurder van een bisdom; een van de hoogste mensen in de rooms-katholieke kerk. Een bisschop kon in de middeleeuwen ook een leen besturen.

2002
2021-03-01
XYZ van Amsterdam

Geschreven door J. Kruizinga Gerrit Vermeer, 2002

Bisschop

Bisschop - Het hoekhuis Dam-Damrak, dat eeuwenlang een gevelsteen gedragen heeft, voorstellende Sinterklaas* met zijn mijter, staande naast een kuip, waarin drie kindertjes. Dat is de voorstelling van een oude legende. Vanouds heette dit huis, dat al in 1604 met deze gevelsteen afgebeeld wordt, "Thuys genaempt Sinter Claes". Het huis is in de loop...

Lees verder
1990
2021-03-01
Art & Architecture Thesaurus

Art & Architecture Thesaurus

bisschop

bisschop - Geestelijken met de hoogste rang in christelijke kerken, meestal belast met een bestuurlijke functie zoals het beheer van een bisdom.

1980
2021-03-01
Blauwe Scheen

Lexicon Beeldende Kunstenaars

Bisschop

Zie S. Robertson; zie C. S. F. Swift.

Lees verder
1980
2021-03-01
Van aalmoes tot zwijntjesjager

Geschreven door Dr. E. Schröder, 1980

Bisschop

Het woord bisscbop is in vroege tijd ontleend aan de laat-latijnse vorm biscopus, die terug te voeren is tot de oorspronkelijke, welke episcopus luidde. Het woord epi-scopus betekent letterlijk: opziener, als term in de Christelijke kerk. In i Tim. 3:2 leest men dat de opziener der gemeente een onberispelijk man moet zijn, nuchter, bezonnen, slecht...

Lees verder
1973
2021-03-01
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

bisschop

bisschop - [Gr. episkopos, opziener], m. (-pen), 1. een priester van de hoogste rang, die de volheid van het priesterschap bezit; veelal belast met het bestuur van een bisdom; in bepaald verband: Sint-Nicolaas de goede —; overeenkomstige rang in de Anglicaanse e.a. Kerken; 2. bisschopswijn; 3. extract uit verschillende specerijen, m.n. onri...

Lees verder
1958
2021-03-01
Encyclopedie van Friesland

Encyclopedie van Friesland (1958) onder redactie van Prof. Dr. J.H. Brouwer

BISSCHOP

In de r.k. kerk drager van volledige priesterlijke wijdingsmacht, bestuurt meestal een bisdom. Willibrord is 695 door de paus aangesteld en gewijd tot B. over de Friezen, maar is nauwelijks in Westerlauwers Frl. geweest, zie Fositeland. Zijn opvolgers evenmin. De B. had meest tussenpersonen: toevallige, bijv. Odulf; later vaste, vnl. aartsdiakens...

Lees verder
1955
2021-03-01
Katholicisme encyclopedie

Onder redactie van Prof. dr. J.C. Groot

BISSCHOP

Het woord is afgeleid van het Gr.: episkopos, opziener. In 1 Petr. 2 : 25 wordt het van Christus zelf gebezigd; viermaal komt het in het N.T. voor als aanduiding van kerkelijke ambtsdragers zonder nadere bepaling van de graad. De namen episkopos en presbuteros lijken in verschillende gevallen equivalent; met dit onderscheid, dat de eerste de klemto...

Lees verder
1950
2021-03-01
Dikke Van Dale

Nederlands woordenboek (7e druk)

Bisschop

1. m. (-pen), (R.-K.) priester van de. hoogste rang, bezittende de volheid van het priesterschap met de daaraan verbonden rechten en volmachten; veelal belast met het bestuur van een bisdom (diocesaan-bisschop), maar niet altijd (zoals de titulair- en wijbisschoppen); — in bep. verband: St. Nikolaas, de goede bisschop...

Lees verder
1933
2021-03-01
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Bisschop

Bisschop - is een prelaat, die toegerust met de volheid van het priesterschap krachtens de rechtsmacht (jurisdictie), die door de instelling van Christus aan zijn ambt is verbonden, een bepaald deel der Kerk (zie Bisdom) in vereeniging met en afhankelijkheid van den paus als Herder bestuurt (C.I.C. can. 329 § 1, 334 § 1). Iedere b. is de opvolger d...

Lees verder
1928
2021-03-01
Wat is dat?

Wat is dat? Encyclopedie voor jongeren (1938).

Bisschop

De naam bisschop is afkomstig van het Griekse woord episkopos, dat o.a. opziener betekent. Reeds in oude tijden, vóór onze jaartelling, was bisschop de titel van overheden (inspecteurs) in den staat; later kreeg het woord een kerkelijke betekenis. In de Katholieke kerk is de bisschop het hoofd van een bisdom. In zijn eigen rechtsgebie...

Lees verder
1926
2021-03-01
Christelijke encyclopedie

Geschreven onder redactie van theoloog F.W. Grosheide, 1925-1931

Bisschop

is afgeleid van het Grieksche woord episkopos, dat opziener beteekent. In het Nieuwe Testament komt dit woord nog voor in nietambtelijken zin b.v. 1 Petr. 2 : 25, doch we zien het hier naam worden voor de ambtsdragers, die met de leiding en onderrichting der gemeente zijn belast. De bisschoppen staan naast de diakenen (Fil. 1 : 1) en zullen moeten...

Lees verder
1908
2021-03-01
Vivat

Schrijver op Ensie

Bisschop

(van het grieksche episkopos, opziener) titel van hen, die als opvolgers der Apostelen van Christus een kerkelijk gebied besturen, dat den naam draagt van bisdom. Zij zijn de plaatsvervangers van den paus, in zooverre zij hun waardigheid in opdracht van het wereldlijk hoofd der kerk uitoefenen. Meerdere bisschoppen worden met hunne bisdommen veelal...

Lees verder
1898
2021-03-01
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Bisschop

Het begrip bisschop heeft 2 verschillende betekenissen: 1. bisschop - BISSCHOP, m. (-pen), (R.-K.) priester van den hoogsten rang, bezittende de volheid van het priesterschap met de daaraan verbonden rechten en volmachten; veelal belast met het bestuur van een bisdom (diocesaan-bisschop), maar niet altijd (zooals de titulair- en wijbisschoppen). 2...

Lees verder
1870
2021-03-01
Winkler Prins 1870

Nederlandse encyclopedie

Bisschop

Bisschop is een naam, afkomstig van het Grieksche woord epícopos, hetwelk opziener beteekent. Men geeft dien naam als titel aan hooge geestelijken, die over een bepaald ge­bied (bisdom) gesteld zijn. Toen onder de lei­ding der Apostelen een aantal Christelijke vereenigingen ontstond, zorgden die mannen, dat deze gesteld werden onder ...

Lees verder