Wat is de betekenis van bind?

2019
2022-10-06
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

bind

bind - Werkwoord 1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van binden ♢ Ik bind 2. gebiedende wijs van binden bind! 3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van binden bind je?

Lees verder
1985
2022-10-06
Woordenboek automatisering

Henk Biemond - 1985

Bind

(1) Een verzoek om het tot stand brengen van een sessie tussen twee logische eenheden (SNA). (2) Bij een massageheugen is dit een kenmerk van een gegevensverzameling, waarmee deze gegevensverzameling op één of meer direct toegankelijke geheugeneenheden kan worden opgeslagen totdat de desbetreffende gegevensverzameling door de gebruike...

Lees verder
1951
2022-10-06
Woordenboek Engels (EN-NL) 1951

Dr. F.P.H. van Wely

Bind

I (in)binden, verbinden, verplichten; omboorden, beslaan; constiperen; bind apprentice, als leerling besteden; bind over, (onder borgstelling) verplichten, zich voor het gerecht te verantwoorden; bind up, verbinden, samen-, inbinden; zie ook: bound; II binden, pakken III boogje.

Lees verder
1864
2022-10-06
Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal

I.M. Calisch (1864)

Bind

Bind, o. (-en), (B. BINDTE), (bouwk.) dwarsbalk. *-BALK, m. (-en), hoofdbalk. *-EN, bw. ong. (ik bond, heb gebonden), vastmaken, -hechten; iem. de handen -, (ook fig.) iem. in alles belemmeren; bezems -; aan schoven -; met touwen -; een boek -, er eenen band om leggen; (fig.) iem. iets op het hart -, op zijn geweten geven; ik wil daaraan niet gebo...

Lees verder