Wat is de betekenis van bezoeker?

2024-06-15
Prisma Groot Woordenboek Nederlands

Unieboek | Het Spectrum (2024)

2024-06-15
Algemeen Nederlands Woordenboek

Algemeen Nederlands Woordenboek (2009-heden)

bezoeker

Het begrip bezoeker heeft 5 verschillende betekenissen: 1) iemand die een bezoek brengt. iemand die een ander of iets een bezoek brengt; iemand die een ander of iets bezoekt; iemand die bij iemand of ergens op bezoek gaat; iemand die op bezoek komt. 2) iemand die iets bezoekt. iemand die voor zijn plezier een attractie bezoekt en daa...

2024-06-15
Nederlandstalige WikiWoordenboek

Wiktionary (2019)

bezoeker

bezoeker - Zelfstandignaamwoord 1. een persoon die iemand of iets bezoekt De nieuwe website heeft gemiddeld 1400 bezoeker per maand. Woordherkomst afgeleid van bezoeken met het achtervoegsel -er

2024-06-15
Muiswerk Educatief

Muiswerk Educatief (2017)

bezoeker

bezoeker - zelfstandig naamwoord uitspraak: be-zoe-ker 1. wie op bezoek komt ♢ de portier liet de bezoeker binnen Zelfstandig naamwoord: be-zoe-ker de bezoeker de bezoekers ...

2024-06-15
Begrippenlijst Omroep Reclame Nederland

Omroep Reclame Nederland (2016)

Bezoeker

Een bezoeker is één uniek IP adres dat een bezoek uitvoert.

2024-06-15
Lexicon van de multiculturele samenleving

Martin Meulenberg (2003)

Bezoeker

In creools-Surinaamse gezinnen de vader die één keer in de zoveel tijd even op bezoek komt, maar zich verder meestal onttrekt aan de reguliere verantwoordelijkheden van het vaderschap. De verklaring van dit gedrag wordt wel gezocht in het slavernijverleden, waar plantagehouders vaste relaties tussen mannen en vrouwen die als slaaf op de plantages w...

2024-06-15
Media begrippenlijst

mr. J. Knecht (1991)

Bezoeker

bezoeker verwijst naar een persoon, die een filmvoorstelling, AV-presentatie of een andere manifestatie bijwoont.

2024-06-15
Woordenboek Nederlands-Turks

Mehmet Kiriş (2024)

Wil je toegang tot alle 12 resultaten?

Ja, ik word vriend van Ensie!
2024-06-15
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Bezoeker

m. (-s), 1. iem. die op bezoek komt; 2. iem. die zich naar de genoemde plaats begeven heeft om te zien, te horen enz.: de bezoekers van de tentoonstelling ; — (in ’t bijz.) iem. die geregeld ergens komt: de bezoekers van de beurs.