Wat is de betekenis van bezitten?

2024-06-21
Prisma Groot Woordenboek Nederlands

Unieboek | Het Spectrum (2024)

2024-06-21
Nederlandstalige WikiWoordenboek

Wiktionary (2019)

bezitten

bezitten - Werkwoord 1. (ov) iets in eigendom hebben Hij bezat een groot landgoed in Frankrijk. 2. vnl. lijdende vorm + van geestelijk geobsedeerd worden Hij was bezeten van snelle auto's en mooie vrouwen. Woordherkomst Afgeleid...

2024-06-21
Muiswerk Educatief

Muiswerk Educatief (2017)

bezitten

bezitten - onregelmatig werkwoord uitspraak: be-zit-ten 1. dat het van iemand is ♢ wij bezitten een groot huis Onregelmatig werkwoord: be-zit-ten ik bezit jij/u bezit ...

2024-06-21
Frysk Wurdboek (Friesch woordenboek)

Fa. A.J. Osinga (1952)

Bezitten

v., bisitte, hawwe, der op nei hâlde.

2024-06-21
Woordenboek Nederlands-Turks

Mehmet Kiriş (2024)

2024-06-21
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Bezitten

(bezat, heeft bezeten), 1. (w. g.) zitten op : die stoel is pas bezeten; 2. in bezit (in het dagel. leven : in eigendom) hebben : een groot vermogen bezitten; een rijke bibliotheek bezitten; hij bezit geen cent, is doodarm ; — in de ruimste zin: hebben: vele deugden, een gezond verstand bezitten; vrienden bezitten; &mdas...

2024-06-21
Verklarend handwoordenboek der Nederlandse taal

M. J. Koenen's (1937)

bezitten

bezat, h. bezeten (eig. zitten op; fig. in bezit hebben): de bezittende klassen; zijn ziel in lijdzaamheid bezitten, geduldig zijn.

2024-06-21
Modern Woordenboek

Jozef Verschueren (1930)

bezitten

(bə'zittən) (bezat, heeft bezeten) 1. zitten op : die stoel is pas bezeten. 2. als het zijne hebben of genieten : een groot vertrouwen, veel roem –. →: god, Gygesring, ziel. Syn. hebben. 3. z i c h –, macht over zichzelf, zijn bewegingen hebben. Syn. →: bedwingen.

Wil je toegang tot alle 13 resultaten?

Ja, ik word vriend van Ensie!
2024-06-21
Oosthoek Encyclopedie

Oosthoek's Uitgevers Mij. N.V (1916-1925)

Bezitten

(bezat, heeft bezeten), in bezit (in het dagelijkse leven: in eigendom) hebben: een groot vermogen bezitten; hij bezit geen cent, is doodarm; (in de ruimste zin) hebben: vele deugden, een gezond verstand bezitten; vrienden bezitten.