Wat is de betekenis van bezetten?

2019
2022-08-08
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

bezetten

bezetten - Werkwoord 1. (ov) in gebruik nemen De stoel is bezet door die meneer. 2. (ov), (militair) de macht in een gebied overnemen door er een dominerende strijdmacht te vestigen In 1968 werd Tsjechoslowakije door de Russen en hun bondgenoten bezet....

Lees verder
2018
2022-08-08
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

bezetten

bezetten - regelmatig werkwoord uitspraak: be-zet-ten 1. een plaats in beslag nemen ♢ de hele rij stoelen was door onze familie bezet 2. de leiding overnemen ♢ in de oorlog werd Nederland door D...

Lees verder
1981
2022-08-08
Zelfstudie

Encyclopedie voor Zelfstudie

Bezetten

met een groep zich meester maken van een gebouw waar een officiële instantie of bedrijf is gevestigd, teneinde bepaalde wensen ingewilligd te krijgen.

1973
2022-08-08
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Bezetten

(bezette, heeft bezet), 1. (iets) voorzien van zaken die erop, eraan, erin of erom gezet worden: een met edelstenen bezet gevest; een japon met kant bezetten, afzetten, beleggen; een stuk grond bezetten met, beplanten; 2. (een plaats of ruimte) innemen, zich erin of erop zetten: het gezelschap bezette de voorste rij stoelen; een plaats, een punt, e...

Lees verder
1971
2022-08-08
Watersport A-Z

Watersport A-Z, Kramer (1971)

Bezetten

Bezetten - →Takelen.

1952
2022-08-08
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Bezetten

v., bisette.

1950
2022-08-08
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Bezetten

(bezette, heeft bezet), 1. (iets) voorzien van zaken die er op, er aan, er in of er om gezet worden: een wal met geschut bezetten; een met edelstenen bezet gevest; een japon met kant bezetten, afzetten, beleggen ; — een stuk grond bezetten met, beplanten; 2. (een plaats of ruimte) innemen, zich er in of er op zetten: &rs...

Lees verder
1937
2022-08-08
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

bezetten

bezette, h. bezet (1 zich zetten op; 2 iets voorzien van iets, dat er op, er aan, er in, er om gezet zit; 3 van plaatsen enz.; innemen inz. passief; 4 van troepen of wachten voorzien; 5 van tijd, personen: in beslag nemen; 6 muz., ton. partijen of rollen bekleden): 1. het publiek bezette de eerste rij stoelen; 2. een gevest, bezet met kostbare sten...

Lees verder
1916
2022-08-08
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Bezetten

Bezetten van een touw, het bijeenhouden van de strengen door eene omwinding van geteerd of ongeteerd bindgaren over een lengte van l½ a 2 maal de dikte van het touw, om uitrafelen te voorkomen. Zie de fig.

1898
2022-08-08
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Bezetten

BEZETTEN, (bezette, heeft bezet), zich zetten op 't gezelschap bezette de voorste rij stoelen; vol zetten, overal op zetten; — eene japon niet kant bezetten, afzetten, beleggen; — eene landkaart, dicht met namen bezet; — bezetten met, beplanten, omzetten met; — (van tijd) in beslag nemen de avonden met lessen bezette...

Lees verder