Wat is de betekenis van bezetten?

2019
2021-10-25
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

bezetten

bezetten - Werkwoord 1. (ov) in gebruik nemen De stoel is bezet door die meneer. 2. (ov), (militair) de macht in een gebied overnemen door er een dominerende strijdmacht te vestigen In 1968 werd Tsjechoslowakije door de Russen en hun bondgenoten bezet....

Lees verder
2018
2021-10-25
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

bezetten

bezetten - regelmatig werkwoord uitspraak: be-zet-ten 1. een plaats in beslag nemen ♢ de hele rij stoelen was door onze familie bezet 2. de leiding overnemen ♢ in de oorlog werd Nederland door D...

Lees verder
1981
2021-10-25
Zelfstudie

Encyclopedie voor Zelfstudie

Bezetten

met een groep zich meester maken van een gebouw waar een officiële instantie of bedrijf is gevestigd, teneinde bepaalde wensen ingewilligd te krijgen.

1973
2021-10-25
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Bezetten

(bezette, heeft bezet), 1. (iets) voorzien van zaken die erop, eraan, erin of erom gezet worden: een met edelstenen bezet gevest; een japon met kant bezetten, afzetten, beleggen; een stuk grond bezetten met, beplanten; 2. (een plaats of ruimte) innemen, zich erin of erop zetten: het gezelschap bezette de voorste rij stoelen; een plaats, een punt, e...

Lees verder
1971
2021-10-25
Watersport A-Z

Watersport A-Z, Kramer (1971)

Bezetten

Bezetten - →Takelen.

1954
2021-10-25
Groninger Encyclopedie

K. ter Laan

Bezetten

= bestrijken en bespreken van een ziek lichaamsdeel; zie belezen en bezweringsspreuken-, oudtijds ook in Groningen en Drente. De strieker geneest een adderbeet, een bijensteek, kneuzing, ontwrichting, dauwworm, kiespijn, zweren, wratten, bij koeien de wrang, bij paarden buikpijn. (D.B. II 13.)Dr Wumkes vertelt in...

Lees verder
1952
2021-10-25
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Bezetten

v., bisette.

1950
2021-10-25
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Bezetten

(bezette, heeft bezet), 1. (iets) voorzien van zaken die er op, er aan, er in of er om gezet worden: een wal met geschut bezetten; een met edelstenen bezet gevest; een japon met kant bezetten, afzetten, beleggen ; — een stuk grond bezetten met, beplanten; 2. (een plaats of ruimte) innemen, zich er in of er op zetten: &rs...

Lees verder
1916
2021-10-25
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Bezetten

Bezetten van een touw, het bijeenhouden van de strengen door eene omwinding van geteerd of ongeteerd bindgaren over een lengte van l½ a 2 maal de dikte van het touw, om uitrafelen te voorkomen. Zie de fig.

1898
2021-10-25
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Bezetten

BEZETTEN, (bezette, heeft bezet), zich zetten op 't gezelschap bezette de voorste rij stoelen; vol zetten, overal op zetten; — eene japon niet kant bezetten, afzetten, beleggen; — eene landkaart, dicht met namen bezet; — bezetten met, beplanten, omzetten met; — (van tijd) in beslag nemen de avonden met lessen bezette...

Lees verder