Synoniemen van Bewijs

2020-04-07

Bewijs

In het recht - en in het bijzonder het strafrecht - heeft het bewijs als functie om er voor te zorgen dat de rechter zijn beslissing wettig en overtuigend kan nemen. In het strafrecht staan de regels omtrent bewijs opgenomen in het Wetboek van Strafvordering. Artikel 338 van het Wetboek van Strafvordering stelt bijvoorbeeld: "Het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, kan door den rechter slechts worden aangenomen, indien hij daarvan uit het onderzoek op de terechtzitti...

2020-04-07

bewijs

bewijs - Zelfstandignaamwoord 1. datgene wat de juistheid van een bewering onweerlegbaar vast (kan) leggen Het wiskundige bewijs dat er oneindig veel priemgetallen bestaan is onweerlegbaar. 2. schriftelijk blijk van iets, bewijsstuk De kassabon dient als bewijs dat je iets betaald hebt. bewijs - Werkwoord 1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bewijzen ...

2020-04-07

bewijs

bewijs - o. (bewijzen), 1. de handeling van bewijzen; datgene waardoor voor het verstand onweerlegbaar wordt aangetoond dat iets is zoals men beweerd of verondersteld heeft, zowel in de zin van bewijsvoering als van bewijsgrond: een — leveren; wettig en overtuigend —; vrijspraak bij gebrek aan —; het betoog van een stelling uit de voorwaarden of onderstelling: een rechtstreeks —; — uit het ongerijmde; 2. blijk waaruit men het bestaan of de juistheid van iets kan opmaken, teken: een — van moed, v...

2020-04-07

bewijs

bewijs - zelfstandig naamwoord uitspraak: be-wijs 1. iets waaruit blijkt dat het waar is ♢ bij gebrek aan bewijs werd hij vrijgelaten 2. papier dat iets bewijst ♢ heb je een bewijs van betaling? 3. wat je aanvoert om een stelling te bewijzen of te ontkrachten ♢ welk bewijs heb...

2020-04-07

Bewijs

BEWIJS, o. (bewijzen), blijk, teeken: een bewijs van moed, van trouw, van sympathie; — inz. blijk van echtheid, van waarheid een bewijs geven, aanvoeren; — een stoffelijk bewijs mijner erkentelijkheid, iets waaruit deze blijkt; — geen bewijs van, geen spoor van, in ’t geheel niet; — (wisk.) het betoog eener stelling uit de voorwaarden of onderstelling een rechtstreeksch bewijs; bewijs uit het ongerijmde; — (rechtst.) de gronden waarop eene bewering steunt;...

2020-04-07

Bewijs

Bewijs, 1) (in de logika), het aantoonen van de waarheid van een oordeel (stelling) door een redeneering, waaruit blijkt, dat het oordeel volgt uit andere oordeelen, wier waarheid wordt erkend en die waar zijn. Een b., dat de waarheid van een oordeel aantoont door terug te gaan tot de aanschouwing, beet „demonstratie” (in engeren zin). De oordeelen, waarvan de redeneering zich bedient, heeten „bewijsgronden’’ (argumenten). Een bewijs is direct, wanneer het uit de waarheid der bewijsgronden onmid...

2020-04-07

Bewijs

Bewijs - I. (wiskundig). 1° B. is het aantoonen, dat een stelling, hetzij rechtstreeks, hetzij door middel van andere stellingen, uit de axioma’s der wiskunde kan worden afgeleid. Men heeft het genoemd: het opmaken van den stamboom eener stelling. Juister ware niet van bewijs, maar van afleiding te spreken. 2° Het aantoonen van den waarheidsgrond zoowel van een stelling zelf als van de axioma’s, waarvan de afleiding uitgaat, en van de betrouwbaarheid dezer afleiding voor het betrokken systeem. I...

2020-04-07

Bewijs

Bewijs - de gronden, waarop een rechter zich moet overtuigen van de waarheid eener zaak, eener daad, eener verklaring. De wet spreekt van een schriftelijk bewijs, bewijs door getuigen, vermoedens, de bekentenis en de eed. B. W. art. 1903. Het schriftelijk bewijs wordt geleverd door authentieke of onderhandsche geschriften. Het bewijs door getuigen wordt toegelaten meestal voor zaken, in al de gevallen, waarin het niet door de wet wordt uitgesloten b.v. die óf zoo gering zijn, dat het niet de moe...