Wat is de betekenis van bewegen?

2019
2022-07-02
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

bewegen

bewegen - Werkwoord 1. (inerg) van plaats veranderen, niet stilstaan Om te kunnen bewegen hebben veel dieren een uitgebreid zenuw- en spierstelsel. 2. (ov) in beweging brengen Dat werd bewogen door de wind. 3. (refl) zich ~ actie onderne...

Lees verder
2018
2022-07-02
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

bewegen

bewegen - onregelmatig werkwoord uitspraak: be-we-gen 1. zorgen dat het van stand of plaats verandert ♢ Anita kan haar arm niet bewegen 2. aanzetten om iets te doen ♢ ik kon hem er niet toe bewe...

Lees verder
1973
2022-07-02
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Bewegen

(bewoog, heeft bewogen), 1. in beweging brengen, van plaats doen veranderen: armen en benen bewegen; (zegsw.) hemel en aarde bewegen, alle middelen aanwenden, alles beproeven om iets gedaan te krijgen; 2. in beweging houden (van werktuigen): de veer beweegt het uurwerk; de motor beweegt het schip; 3. zich bewegen, in beweging zijn of komen: ik kan...

Lees verder
1952
2022-07-02
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Bewegen

v., biwege, forwege, forroere, forroerje; enigszins —, forskeuvelje; heen en weer —, weve, weevje, wevelje, wilewarlje, wigewarije, wig(g)elje; snel heen en weer —, tyskje, tyspelje, teisterje, wifelje, wivelje; zich heen en weer —, hinne-en-werje, hobje; zich snel heen en weer &mdas...

Lees verder
1950
2022-07-02
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Bewegen

(bewoog, heeft bewogen), I. onoverg., van plaats veranderen ten opzichte van de aarde, hetzij in zijn geheel of in een onderdeel, zich verroeren: kijk, het beweegt! II. overg., 1. in beweging brengen, van plaats of stand doen veranderen : armen en benen bewegen ; een stok heen en weer bewegen ; — zegsw. : hemel en aarde...

Lees verder
1937
2022-07-02
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

bewegen

bewoog, h. bewogen (1 van plaats of stand doen veranderen; 2 zich verroeren; van zijn plaats komen of voortgaan; 3 het gemoed aandoen; ontroeren; 4 iem. doen handelen; aanleiding geven tot een handeling): 1. de veer beweegt het raderwerk; de vogels bewegen de vleugels; zie ook hemel 1; 2. de tafel bewoog even; geen blad bewoog; 3. alle toeschouwers...

Lees verder
1926
2022-07-02
Christelijke encyclopedie

Geschreven onder redactie van theoloog F.W. Grosheide, 1925-1931

Bewegen

I. Grondbeteekenis: snel heen en weder bewegen. De hand over iemand bewegen, zooveel als krachtig zwaaien ter bestraffing (Zach. 2:9; Jes. 19 : 19).II. Het Hebreeuwsche tenufa, henif, een gewone uitdrukking voor het heen en wederbewegen der offerstukken voor het altaar. Volgens sommigen geschiedde dit slechts voor- en achterwaarts, volgens anderen...

Lees verder
1898
2022-07-02
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Bewegen

BEWEGEN, (bewoog, heeft bewogen), in beweging brengen; (ook) in beweging zijn: kijk, het beweegt; armen en beenen bewegen; hemel en aarde bewegen, alle middelen aanwenden, alles beproeven om iets gedaan te krijgen — zich bewegen, in beweging zijn of komen beweeg u niet; ik kan mij nauwelijks bewegen; de aarde beweegt zich; — het gemoed...

Lees verder