2020-01-26

Bevochtigen

Bevochtigen - zie Benatten.

2020-01-26

Bevochtigen

BEVOCHTIGEN, (bevochtigde, heeft bevochtigd), nat maken. BEVOCHTIGING, v. (-en).

2020-01-26

bevochtigen

bevochtigen - Wordt gebruikt voor het verhogen van de vochtigheidsgraad in een gesloten omgeving, zoals een gebouw of kamer. Wordt ook gebruikt voor het behandelen van voorwerpen door ze vochtig te maken, zoals door het gebruik van stoom.

2020-01-26

bevochtigen

bevochtigen - regelmatig werkwoord uitspraak: be-voch-ti-gen 1. een beetje nat maken ♢ voordat je deze blouse strijkt, moet je hem bevochtigen Regelmatig werkwoord: be-voch-ti-gen ik bevochtig jij/u bevochtigt hij/zij bevochtigt wij/zij/jullie bevochtigen

2020-01-26

bevochtigen

bevochtigen - Werkwoord 1. (ov) het proces waarbij een vloeistof contact maakt met een oppervlak Woordherkomst Afgeleid van vocht met het voorvoegsel be- met het achtervoegsel -ig Antoniemen drogen Verwante begrippen vocht, vochtig, vochtigheid, vochtregelaar, natmaken, nat

2019-09-19

humecteren

bevochtigen.

2019-07-17

mouilleeren

mouilleeren - bevochtigen.

2019-07-17

humeoteeren

humeoteeren - bevochtigen.

2019-07-10

humecteeren

humecteeren - bw. gel., bevochtigen

2018-09-13

Humecteeren

HUMECTEEREN, (humecteerde, heeft gehumecteerd), bevochtigen.

2019-07-10

arroseeren

arroseeren - bw. gel., besproeien, bevochtigen

2018-09-01

Belekken

BELEKKEN, (belekte, heeft belekt), (gew. en dicht.) lekkende bevochtigen; belikken.

2018-09-27

Netten

Netten (nette, heeft genet), natmaken, bevochtigen, natten; — reinigen, schoonmaken.

2017-11-14

aandauwen

Aandauwen - (dauwde aan, heeft aangedauwd), (dicht.) met dauw bevochtigen, bedauwen.

2019-09-19

irrigeren

bewateren, bevloeien door kleine waterstroompjes; met de irrigator bevochtigen of uitspuiten.

2018-09-01

Besprenkelen

BESPRENKELEN, (besprenkelde, heeft besprenkeld), bedruppelen, een weinig bevochtigen men besprenkelde zijn voorhoofd met water en azijn; den grond besprenkelen; — strijkgoed besprenkelen, een weinig bevochtigen vóór het strijken; — (boekb.) jaspeeren. BESPRENKELING, v. (-en).

2018-12-06

Besprengen

Besprengen - in de R.-Kath. kerk: het besprenke len, bevochtigen met wijwater.

2018-09-01

Besprengen

BESPRENGEN, (besprengde, heeft besprengd), sprengende bestrooien, bevochtigen, besprenkelen. BESPRENGING, v. (-en), (R.-K.) besprenging met wijwater.

2019-09-19

mouilleren

bevochtigen; week uitspreken van I en n (zoals in sommige Franse woorden als montagne).

2018-09-01

Bebloeden

BEBLOEDEN (bebloedde, heeft bebloed), met bloed bedekken, bevochtigen, bemorsen zijn gezicht was geheel bebloed; bebloede kleeren.