Wat is de betekenis van bevallig?

2019
2021-12-05
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

bevallig

bevallig - Bijvoeglijk naamwoord 1. -gewoonlijk vrouwelijke- schoonheid bezittend die bij anderen -gewoonlijk mannen- in de smaak valt. Toen het bevallige meisje binnenliep, trok zij de aandacht van alle mannen aan de bar. Woordherkomst afgeleid van beval (stam van het werkwoord be...

Lees verder
2018
2021-12-05
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

bevallig

bevallig - bijvoeglijk naamwoord uitspraak: be-val-lig 1. mooi en sierlijk ♢ bevallig boog ze voor de koningin Bijvoeglijk naamwoord: be-val-lig ... is bevalliger dan ... het bevalligst...

Lees verder
1973
2021-12-05
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Bevallig

bn. en bw. (-er, -st), door vorm, kleur, rangschikking van de delen het oog aangenaam aandoend, gracieus (minder sterk dan schoon): een bevallige houding; een bevallig meisje; de bloemen waren bevallig gerangschikt.

1952
2021-12-05
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Bevallig

adj., aerdich, kwier(ich), prûs, snipper, himmel, tsjep, jinten, jenten, oannimlik, sinlik.

1950
2021-12-05
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Bevallig

bn. bw. (-er, -st), door vorm, kleur, rangschikking enz. der delen het oog aangenaam aandoende, gratieus (minder sterk dan schoon): een bevallige houding ; een bevallig meisje, kindschap ; de bloemen waren bevallig gerangschikt; (ook) een bevallige melodie, die ’t oor aangenaam aandoet.

1937
2021-12-05
Koenen

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

bevallig

bn., bw. (lief, aardig): een bevallige buiging, gracieus.

1933
2021-12-05
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Bevallig

Bevallig - is een aesthetische categorie. Vroeger het schoone in het kleine (wat nu door het lieve uitgedrukt wordt). Sedert de 18e eeuw wordt het b. beschouwd als samengaande met de schoonheid van de vrije beweging en met een zekere, maar niet voor het geheel schadelijke, willekeurigheid in de harmonie. De Bruyne.

1898
2021-12-05
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Bevallig

BEVALLIG, bn. bw. (-er, -st), door vorm, kleur, rangschikking enz. der deelen het oog aangenaam aandoende eene bevallige kromming; een bevallig meisje, landschap; de bloemen waren bevallig gerangschikt; (ook) eene bevallige melodie, die ’t oor aangenaam aandoet. BEVALLIGHEID, v. het bevallig zijn; —, (...heden), de vrouwelijke bevalligh...

Lees verder
1898
2021-12-05
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Bevallig

zie Aanminnig. zie Aanvallig.

Lees verder