Wat is de betekenis van beulen?

2020
2021-07-24
Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

beulen

zwoegen. hard werken; zwoegen. Voorbeelden: Je schrikt je even kapot als je hoort dat je de kampioenschappen mag organiseren. 'Dan is er geen tijd meer om je waar dan ook zorgen over te maken. Dan moet er gebeuld worden'. Meppeler Courant, 1994

Lees verder
2019
2021-07-24
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

beulen

beulen - Zelfstandignaamwoord 1. meervoud van het zelfstandig naamwoord beul beulen - Werkwoord 1. hard werken ...en dat alles in het Land beulde voor de menigvuldige zendelingen van een ſchrikbewind... Synoniemen buffelen, afbeulen

Lees verder
2017
2021-07-24
Wielrenners

Jargon & Slang van Wielrenners

Beulen

Beulen - zich een grote inspanning getroosten, al zijn krachten aanspreken, afzien. Vorige week zaten we in de Ster van Bessèges enorm te beulen. - Vrij Nederland 5.3.1988 ​

Lees verder
2009
2021-07-24
Groot wielerwoordenboek

Geschreven door Marc De Coster

beulen

Zich een grote inspanning getroosten, al zijn krachten aanspreken, afzien. Vorige week zaten we in de Ster van Bessèges enorm te beulen. (Vrij Nederland, 05/03/1988) Bij een helling van tien procent moet je tien procent van je eigen gewicht en dat van de fiets met spierkracht omhoog beulen. (Trouw, 18/07/1992)

Lees verder
2009
2021-07-24
Wielersportwoordenboek

Wielersportwoordenboek door Jan Luitzen ©

beulen

(onov ww; beulde; h. gebeuld) SP - keihard werken, alle krachten aanspreken, diep gaan.

1973
2021-07-24
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

beulen

beulen - (beulde, heeft gebeuld), 1. hard werken; 2. zich afsloven.

Lees verder
1952
2021-07-24
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Beulen

v., (ôf)beune.

1950
2021-07-24
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Beulen

(beulde, heeft gebeuld), 1. hard werken, zich afsloven; 2. (w. g.) als een beul behandelen: zijn kinderen beulen; 3. (Zuidn.) ruw te werk gaan: dat kind beult met de hond.

Lees verder
1898
2021-07-24
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Beulen

BEULEN, (beulde, heeft gebeuld), hard werken, zich afsloven; — zijne kinderen beulen, meer en harder slaan dan zij verdienen; — (Zuidn.) ruw te werk gaan: dat kind beult met den hond.

Lees verder