Wat is de betekenis van beul?

2020
2021-08-03
Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

beul

Het begrip beul heeft 2 verschillende betekenissen: 1) uitvoerder van vonnissen. iemand die voor zijn beroep lijfstraffelijke vonnissen en doodvonnissen uitvoert; scherprechter. 2) wreedaard. iemand die mensen of dieren mishandelt; wreedaard; ook: iemand die zichzelf of een ander afbeult.

Lees verder
2020
2021-08-03
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

beul

1) (1980+) (muz.) voortreffelijk muzikant (meestal een gitarist). Ook wel: een beul van een gitarist, een blazer enz. • Steve Vai tenslotte, is hoewel in dienst bij David Lee Roth, een verhaal apart. Deze absolute beul wordt algemeen beschouwd als de beste gitarist van de jaren tachtig. (Oor, 27/08/1988) • (C.A.J. Hoppenbrouwe...

Lees verder
2019
2021-08-03
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

beul

beul - Zelfstandignaamwoord 1. (beroep) traditioneel de uitvoerder van van overheidswege opgelegde lijfstraffen en aangesteld om ter dood veroordeelden te executeren De kundige beul liet de misdadigers niet te lang lijden. 2. (pejoratief) wreedaard Deze wielrenn...

Lees verder
2018
2021-08-03
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

beul

beul - zelfstandig naamwoord 1. iemand die zware straffen uitvoert ♢ de beul voltrok de doodstraf 1. Jan is zo brutaal als de beul [erg brutaal] Zelfstandig naamwoord: beul ...

Lees verder
2017
2021-08-03
Wielrenners

Jargon & Slang van Wielrenners

Beul

Beul - 'de beul van de Provence': bijnaam van de Mont Ventoux, een 21,5 km lange col in de Provence. Voor het eerst beklommen in de Tour van 1951. Syn.: de reus van de Provence. Fransen noemen hem le col des tempêtes.

1998
2021-08-03
drs. Toine van Hoof

AUTEUR VAN HET BRIDGE WOORDENBOEK - "BRIDGE OPZOEKBOEK" (UITGAVE 1998)

beul

Ook: beuk; bunker; dijk; os. Zeer sterke hand.

Lees verder
1998
2021-08-03
Woordenboek van populaire uitdrukkingen

Marc De Coster ©, 1998

Beul

een - van een geplaatst voor een persoonsaanduiding om de voortreffelijke kwaliteiten van die persoon te beklemtonen: een beul van een muzikant/gitarist enz.is ‘een erg knappe muzikant, gitarist enz.’. Ook zelfstandig: een beul.Jeugd taal jaren tachtig. Andy is niet alleen een beul van een gitarist, hij is ook nog een voortreffelijk componist. (Mu...

Lees verder
1990
2021-08-03
Art & Architecture Thesaurus

Art & Architecture Thesaurus

beul

beul - Beambten die de doodstraf uitvoeren bij het naleven van een rechtsgeldige machtiging.

1973
2021-08-03
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

beul

beul, m. (-en), 1. uitvoerder van vonnissen, zie scherprechter; (zegsw.) hij is zo brutaal als de —, in hoge mate brutaal; 2. (fig.) wreedaard, iemand die anderen mishandelt: hij is een — voor zijn paarden; 3. inrichting om gegoten ijzer fijn te maken door middel van een vallend blok.

Lees verder
1954
2021-08-03
Groninger Encyclopedie

K. ter Laan

Beul

in de omgang door ieder gemeden, zodat de beulskinderen uit verschillende plaatsen onder elkaar trouwden. Verdiende behoorlijk aan zijn ambt, maar als ledezetter nog veel meer. In de G.V. van 1901, 66 het tarief van de beul uit het archief van Warfum, plm. 1700: voor hangen f 50.— voor decapiteren...

Lees verder
1952
2021-08-03
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Beul

s., boal.

1950
2021-08-03
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Beul

m. (-en), 1. uitvoerder van lijfstraffelijke vonnissen, scherprechter; (zegsw.) hij is zo astrant, brutaal als de beul, in hoge mate brutaal; — de blauwe beul, indertijd benaming voor De Gids, die een blauw omslag had; — oneig. : degeen die de doodstraf oplegt; — 2. (fig.) wreedaard, iem. die anderen mishandel...

Lees verder
1940
2021-08-03
gevleugelde woorden

J.H. de Ruijter

Beul

Zie: De blauwe beul.

1939
2021-08-03
Humoristisch woordenboek

Amusant-Zorgenverdrijvend Woordenboek (De Kolibri)

Beul

Verlosser van kopzorgen.

1937
2021-08-03
Woordverklaring

Dr. L.M. Metz - 1937

Beul

Inrichting om gegoten ijzer fijn te maken. Hierbij valt een zwaar blok op het ijzer, dat door een omtimmering verhinderd wordt ver weg te spatten.

1921
2021-08-03
Levende taal

T. Pluim - 1921

Beul

d. i. scherprechter; bij uitbreiding: een wreedaard; iemand, die van kwellen of martelen houdt. Oorspr. luidde het woord beudel en was afgeleid van bieden, d. i. het vonnis aanzeggen, aankondigen, zooals een bode ons nog een of ander aanzegt. De beul was dus oorspr. de gerechtsbode; eerst later werd deze naam gegeven aan den voltrekker van het dood...

Lees verder
1919
2021-08-03
uitdrukkingen

Woorden en uitdrukkingen verklaard

Beul

uit beudel, naast bodel, mnl. bodel, buel, bode, gerechtsdienaar, bepaaldelijk scherprechter. Vondel 1, 401: „O beudel! wilt u schamen, Dat ghy soo armen guyl . . . slaet ’t lijf vol stramen”. Overdrachtelijk, Vondel 1, 553: „Al wie uyt nijdigheid een ander neemt te plaghen, Een beudel word zijns zelfs”; Beets, C. O. 2...

Lees verder
1916
2021-08-03
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Beul

Beul, zie SCHERPRECHTER.

1898
2021-08-03
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Beul

BEUL, m. (-en), scherprechter; hij is zoo astrant, brutaal als de beul, in hooge mate astrant, brutaal; — de blauwe beul, indertijd benaming voor De Gids, dat een blauw omslag had; — (fig.) wreedaard een beul van een jongen; hij is een beul voor zijne paarden; die patroon is een beul voor zijne werklieden.

Lees verder