Wat is de betekenis van betreden?

2019
2022-12-04
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

betreden

betreden - Werkwoord 1. (ov) zich ergens (met de voeten) op begeven Hem werd gezegd dat hij de zolder in verband met instortingsgevaar maar beter niet kon betreden. betreden - Werkwoord 1. voltooid deelwoord van betreden Woordherkomst Afgeleid van treden met het voor...

Lees verder
2018
2022-12-04
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

betreden

betreden - onregelmatig werkwoord uitspraak: be-tre-den 1. erover lopen ♢ het is verboden het gras te betreden 2. naar binnen lopen ♢ de koningin betrad het paleis Onregelmatig werkwo...

Lees verder
1973
2022-12-04
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Betreden

(betrad, heeft betreden), 1. lopen over, bewandelen, thans meest fig.: het pad der deugd betreden, de deugd betrachten; 2. de voet zetten op: vaderlandse grond -; het is verboden dit terrein te betreden.

Lees verder
1952
2022-12-04
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Betreden

v., bitrêdzje, bitraepje, bigean.

1950
2022-12-04
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Betreden

(betrad, heeft betreden), 1. lopen over, bewandelen, thans meest fig.: het pad der deugd betreden, de deugd betrachten; 2. de voet zetten op : de vaderlandse grond, betreden ; liet is verboden dit terrein te betreden ; oneig.: een leerstoel betreden; 3. bespringen : de haan betreedt de kippen.

Lees verder
1937
2022-12-04
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

betreden

betrad, h. betreden (de voet zetten op of in); de vaderlandse grond weer betreden; de kansel betreden; fig. het pad der deugd betreden.

1930
2022-12-04
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

betreden

(bə'tre:dən) (betrad, heeft betreden) treden op : de grond -; de weg; het pad der deugd -, de deugd beoefenen.

1898
2022-12-04
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Betreden

BETREDEN, (betrad, heeft betreden), (grond) treden op, stappen op; (ook fig.) het pad der deugd betreden, de deugd betrachten; --bevruchten de haan betreedt de kippen.

1864
2022-12-04
Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal

I.M. Calisch (1864)

Betreden

Betreden, bw. ong. (ik betrad, heb betreden), treden op, stappen op; (ook fig.). *...TREDING, v. gmv. *...TREFFEN, bw. (slechts in den 3en p.), (het betrof, heeft betroffen), aangaan; wat mij betreft; -de die zaak.

Lees verder