Wat is de betekenis van Berouw?

2019
2022-08-09
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

berouw

berouw - Zelfstandignaamwoord 1. het betreuren van een eerdere kwalijke daad, spijt, schuldgevoel Japanse premier spreekt berouw uit over leed WOII berouw - Werkwoord 1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van berouwen ♢ Ik berouw...

Lees verder
2018
2022-08-09
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

berouw

berouw - zelfstandig naamwoord uitspraak: be-rouw 1. erge spijt dat je iets gedaan hebt ♢ de overvaller toonde wel berouw bij de rechter Zelfstandig naamwoord: be-rouw het berouw

Lees verder
1973
2022-08-09
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Berouw

o. (g. mv.), droefheid, spijt over iets dat men verkeerd heeft gedaan: over iets hebben, voelen; niet weer doen is het beste berouw; met oprecht berouw; komt na de zonde; hij heeft er zoveel berouw van als haren op zijn hoofd, zeer veel berouw.

1955
2022-08-09
Katholicisme encyclopedie

Onder redactie van Prof. dr. J.C. Groot

BEROUW

In de bekering ligt besloten dat de afwending van God in het centrum van onze persoonlijkheid weer wordt teniet gedaan, hetgeen de Bijbel noemt: het vermorzelen, verbrijzelen en scheuren van het hart (Ps. 51 : 19, Joël 2 : 13). Dit is het berouw, welks Latijnse namen „compunctio”, „attritio”, „contritio” op...

Lees verder
1952
2022-08-09
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Berouw

s.n., birou (it), rou, spyt; — hebben, jin birouwe, jin birouje.

1950
2022-08-09
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Berouw

o., g.mv., droefheid, spijt over iets waaraan men verkeerd heeft gedaan; inz. droefheid over iets -waardoor men zich heeft bezondigd, met de bijgedachte aan het ernstig verlangen naar beterschap: berouw over iets hebben, gevoelen; niet weer doen is het beste berouw; met oprecht berouw; — (spr.) hij heeft er zoveel berouw van als har...

Lees verder
1947
2022-08-09
Winkler Prins Encyclopedie

Winkler Prins 1947

Berouw

in godsdienstige (R.K.) zin opgevat, heeft betrekking op de zonde en bestaat volgens het Concilie van Trente (Sessio XIV cap. 4) daarin, dat men de bedreven zonden betreurt en verfoeit, omdat men God beledigd heeft, en zich vast voorneemt om nooit meer te zondigen. Het omvat dus drie wilsacten: afkeer van de bedreven zonde, leedwezen daarover en he...

Lees verder
1937
2022-08-09
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

berouw

o. (spijt, leedwezen over bedreven kwaad, met de bijgedachte a. h. voornemen het niet meer te bedrijven): berouw hebben over, van; berouw komt na de zonde, te laat.

1933
2022-08-09
Iedereen

Encyclopedie voor Iedereen

Berouw

de door de Kath. geloofsleer gevergde toestand v. leedwezen over bedreven zonden, die alleen tot hun vergeving kan leiden. Men onderscheidt volmaakt (uit liefde tot God) en onvolmaakt (uit angst v/d hel) b., maar beide moeten bovennatuurlijk zijn, d.w.z. uit het geloof voortkomen.

1926
2022-08-09
Christelijke encyclopedie

Geschreven onder redactie van theoloog F.W. Grosheide, 1925-1931

Berouw

is in ’t algemeen leedwezen over iets, dat gedaan of nagelaten is; in ’t bizonder het leedwezen over de zonde. Wat dit laatste aangaat is er groot verschil tusschen berouw en berouw. Er is een berouw, dat feitelijk ten onrechte zoo wordt genoemd, en niet meer dan spijt kan heeten; het vreest wel voor de gevolgen der zonde, maar betreurt...

Lees verder
1916
2022-08-09
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Berouw

Berouw - zie BERAOE.

1898
2022-08-09
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Berouw

BEROUW, o. droefheid, spijt over iets waaraan men verkeerd heeft gedaan; inz. droefheid over iets waardoor men zich heeft bezondigd, met de bijgedachte aan het ernstig verlangen naar beterschap berouw over iets hebben, gevoelen; niet weer doen is het beste berouw; — (spr.) hij heeft er zooveel berouw van als haren op zijn hoofd, zeer veel ber...

Lees verder