Wat is de betekenis van bengel?

2020
2021-01-20
Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

bengel

Het begrip bengel heeft 2 verschillende betekenissen: 1) stout kind. stout kind, vooral een jongen, maar soms ook een meisje. 2) levendig kind. levendig, een tikkeltje ondeugend kind.

Lees verder
2019
2021-01-20
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

bengel

bengel - Zelfstandignaamwoord 1. (scheldwoord) deugniet bengel - Werkwoord 1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bengelen ♢ Ik bengel 2. gebiedende wijs van bengelen bengel! 3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige t...

Lees verder
2017
2021-01-20
Beursspeculanten

Jargon & Slang van Beursspeculanten

Bengel

Bengel - vroeger de beursklok.

2007
2021-01-20
Scheldwoordenboek

Geschreven door Marc de Coster © 2007

bengel

deugniet; gemene kerel. Betekent eigenlijk ‘halsbeugel; blok aan de hals van dieren’. Syn.: belhamel.Weergasche bengel! je zou een ongeluk krijgen eer je ’t wist. Vooruit, na je moeder, laat die je opknappen! (Anna van Gogh-Kaulbach, In het bloembollenland, 1904)

Lees verder
1980
2021-01-20
Van aalmoes tot zwijntjesjager

Geschreven door Dr. E. Schröder, 1980

Bengel

Een bengel is een kwajongen die kattekwaad uithaalt. Het is een vriendelijk scheldwoord, heel wat vriendelijker dan zijn collega: vlegel, waarmee het overigens merkwaardige punten van overeenstemming heeft. Een bengel is oorspronkelijk: een knuppel. Dit blijkt nog duidelijk uit het Engelse to bang: slaan, ranselen. Men vindt het ook in de betekenis...

Lees verder
1973
2021-01-20
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

bengel

m. (-s), 1. klepel in een klok; 2. klok; 3. oorbel; 4. kwajongen, deugniet, rakker (ook wel gezegd van meisjes).

1950
2021-01-20
Dikke Van Dale

Nederlands woordenboek (7e druk)

Bengel

m. (-s), 1. klepel in een klok. 2. klok (thans w. g.): de bengel luidt om te schaften; vgl. beursbengel. 3. oorbel. 4. (Barg.) horlogeketting. 5. kwajongen, deugniet, rakker (ook wel van meisjes).

Lees verder
1949
2021-01-20
Boevenjargon

Geschreven door Professor Henry Roskam

bengel

een tik met een bengel, een horloge met ketting of signetten.

1898
2021-01-20
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Bengel

Het begrip bengel heeft 2 verschillende betekenissen: 1. bengel - BENGEL, m. (-s), klokje: tong in de klok; (zeew.) klok op een koopvaardijschip de bengel luidt om te schaften. 2. bengel - BENGEL, m. (-s), lomperd, kwajongen, deugniet.

Lees verder