2019-12-13

bengel

Het begrip bengel heeft 3 verschillende betekenissen: 1) piemel 2) stout kind, vooral een jongen, maar soms ook een meisje 3) levendig, een tikkeltje ondeugend kind

2019-12-13

Bengel

Bengel - vroeger de beursklok.

2019-12-13

bengel

bengel - Zelfstandignaamwoord 1. (scheldwoord) deugniet bengel - Werkwoord 1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bengelen ♢ Ik bengel 2. gebiedende wijs van bengelen bengel! 3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bengelen bengel je? Synoniemen blaag, rekel, snotaap, vlegel

2019-12-13

bengel

m. (-s), 1. klepel in een klok; 2. klok; 3. oorbel; 4. kwajongen, deugniet, rakker (ook wel gezegd van meisjes).

2019-12-13

bengel

een tik met een bengel, een horloge met ketting of signetten.