2019-11-13

belegen

belegen - Bijvoeglijk naamwoord 1. lang of een voldoende tijd gelegen hebbend 2. niet langer actueel maar ook niet totaal verouderd wat is jouw taalgebruik toch belegen, man 3. (voeding) (kookkunst) (van kaas) geruime tijd in een pekelbad behandeld en daarna 16-18 weken gerijpt (of 7-8 maanden voor extra belegen) Deze kaas is belegen te noemen.

2019-11-13

belegen

Oudere wijn, zachter en milder van smaak. Fruit wordt wat minder nadrukkelijk aanwezig en de tannines verdwijnen (als het goed is tenminste...).

2019-11-13

Belegen

BELEGEN, bn. waarop gelegen is (een bed bv.); — dat lang gelegen heeft: belegen brood, oudbakken; — belegen kaas, oude; — belegen bier, behoorlijk uitgegist; — belegen wijnen, die lang in den kelder hebben gelegen; — droge en belegen sigaren; — belegen touw, in zijn geheel gestoofd en geteerd, in tegenstelling van het als garen geteerde touwwerk.

2019-11-13

belegen

bn., lang of een voldoende tijd gelegen hebbende: — kaas, oude; — bier, behoorlijk uitgegist; wijnen, die lang in de kelder hebben gelegen; droge en — sigaren; — touw, in zijn geheel gestoofd en geteerd, in tegenstelling met het als garen geteerde touwwerk; ook fig.: een — grap, en ironisch: een — figuur, dor, saai figuur.

2019-11-13

Belegen

Belegen - eenigen tijd gelegen hebbende en daarbij in kwaliteit vooruitgegaan.