Wat is de betekenis van bekwaam?

2019
2021-04-11
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

bekwaam

bekwaam - Bijvoeglijk naamwoord 1. (van een persoon) in staat om bepaalde taken goed uit te voeren; competent, capabel, kundig De bekwame arts wist de patiënt goed te behandelen. bekwaam - Werkwoord 1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bekwamen ...

Lees verder
2018
2021-04-11
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

bekwaam

bekwaam - bijvoeglijk naamwoord uitspraak: be-kwaam 1. wie iets goed kan ♢ hij is een bekwaam chauffeur 2. juridisch bevoegd tot handelen ♢ deze verdediger is niet bekwaam Algemene ui...

Lees verder
1980
2021-04-11
Van aalmoes tot zwijntjesjager

Geschreven door Dr. E. Schröder, 1980

Bekwaam

Bekwaam is een afleiding van het werkwoord bekomen, dat betekende: passen, voegen. Bekwaam is dus: geschikt, gepast, doelmatig. In deze betekenis treffen wij het woord nog aan in de uitdrukking met bekwame spoed, die immers betekent: met passende haast. Ook het Engelse to become betekent: passen, voegen, betamen en dit is weer hetzelfde als het Lat...

Lees verder
1973
2021-04-11
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

bekwaam

bekwaam bn. en bw. (bekwamer, -st), 1. door aanleg en oefening de vereiste kundigheden en geschiktheid voor een vak of een post bezittend: voor dat ambt is hij niet —; een — ambtenaar; hij is zeer in zijn vak; kundig, knap: een — man; 2. in staat tot: hij is tot zo’n daad niet —; 3. (van personen en hun gedrag) voegzaam, zedig, ingetogen (vgl. onbe...

Lees verder
1952
2021-04-11
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Bekwaam

adj., bikwaem, bitûft, birekkene, eabel, kundich, knap, tuk; zeer zijn, hwat mânsk wêze.

1950
2021-04-11
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Bekwaam

bn. bw. (bekwamer, -st), 1. door aanleg en oefening de vereiste kundigheden en geschiktheid voor een vak of een post bezittend: voor dat ambt is hij niet bekwaam; een bekwaam ambtenaar; hij is zeer bekwaam in zijn vak; iem. voor een vak, examen, bekwaam maken, voorbereiden; absol.: kundig, knap: een bekwaam man; 2. in staat tot...

Lees verder
1949
2021-04-11
Boevenjargon

Geschreven door Professor Henry Roskam

bekwaam

al de bekwame jongens (ervaren dieven) wonen in de Nes (z.a.).

1916
2021-04-11
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Bekwaam

Bekwaam - Behalve de gewone beteekenis van „kundig”, „in staat tot”, heeft dit woord jurid. de beteekenis „volgens de wet bevoegd”. Ook echter wordt het tegenover „bevoegd” gesteld. Zoo onder scheidt de wet in art. 1906 B. W. bevoegdheid en b. Onder de eerste verstaat zij de volstrekte bevoegd heid, onder de laatste de betrekkel. bevoegdheid (z...

Lees verder
1898
2021-04-11
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Bekwaam

BEKWAAM, bn. bw. (bekwamer, -st), hij is ervoor bekwaam, hij bezit de vereischte kundigheden en geschiktheid; een bekwaam man; een bekwaam ambtenaar; hij is zeer bekwaam in zijn vak; — iem. voor een vak, examen bekwaam maken, voorbereiden; — hij is tot zulk eene daad niet bekwaam, in staat tot; — nooit ziet ge hem dronken; hij i...

Lees verder
1898
2021-04-11
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Bekwaam

zie Begaafd.