Wat is de betekenis van beducht?

2019
2022-08-18
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

beducht

beducht - Bijvoeglijk naamwoord 1. ~ voor: bewust van dreigend onheil De voor uitglijden beduchte oude man schuifelde voorzichtig over het ijs. De student durfde het werkstuk niet in te leveren, omdat ze beducht was voor een onvoldoende....

Lees verder
1973
2022-08-18
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Beducht

bn. (-er, -st), bevreesd; voor iets of iemand zijn, een zaak, een persoon duchten.

1950
2022-08-18
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Beducht

bn. (-er, -st), bevreesd; — voor iets of iem. beducht zijn, een zaak, een persoon duchten, (ook) er gevaar voor duchten, bezorgd voor zijn.

1937
2022-08-18
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

beducht

bn. (bekommerd, bevreesd): beducht zijn voor iets.

1898
2022-08-18
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Beducht

BEDUCHT, bn. (-er, -st), bevreesd; — voor iets of iem. beducht zijn, eene zaak, een persoon duchten, (ook) er gevaar voor duchten. BEDUCHTHEID, v. vrees, bezorgdheid.

Lees verder
1898
2022-08-18
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Beducht

zie Bezorgd.

1573
2022-08-18
Etymologicum 1573

Kiliaans Etymologicum Teutonicae Linguae

Beducht

Solicitus, anxius.

Lees verder