Wat is de betekenis van beangstigen?

2020
2022-11-27
Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

beangstigen

angst aanjagen. angstig maken; angst aanjagen; angst inboezemen. Voorbeelden: Het werkloosheidsvraagstuk beangstigt de leiders van de communistische partij die vrezen dat sociale onrust hen de macht zal kosten. NRC, 1995 "Vooral de bedreigingen aan het adres van mijn twee kinderen, dat ze ze zullen ontvoeren, verkrachten...

Lees verder
2018
2022-11-27
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

beangstigen

beangstigen - regelmatig werkwoord uitspraak: be-ang-sti-gen 1. iemand bang maken ♢ het slechte weer beangstigde haar Regelmatig werkwoord: be-ang-sti-gen ik beangstig jij/u beangstigt...

Lees verder
1952
2022-11-27
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Beangstigen

v., biëangje, binear(j)e.

1951
2022-11-27
Duits woordenboek (DU-NL) 1951

Dr. H. W. J. Kroes

Beängstigen

bang maken, benauwen.

1950
2022-11-27
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Beangstigen

(beangstigde, heeft beangstigd).

1937
2022-11-27
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

beangstigen

beangstigde, h. beangstigd (angstig maken, vrees aanjagen): zich beangstigen.

1930
2022-11-27
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

beangstigen

(beangstigde, heeft beangstigd) angstig maken. beangstiging v.

Lees verder
1898
2022-11-27
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Beangstigen

BEANGSTIGEN, (beangstigde, heeft beangstigd), ook BEANGSTEN, angstig maken, angst aanjagen. BEANGSTIGING, v. (-en).