Wat is de betekenis van Beangst?

1950
2022-09-28
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Beangst

bn. bw., benauwd, angstig, angst gevoelende, bevreesd; — iem. beangst maken, vrees inboezemen.

1937
2022-09-28
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

beangst

bn., bw. (angstig, bevreesd, benauwd).

1930
2022-09-28
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

beangst

(bə'angst) bn. en bw. angstig, benauwd. Tgst. gerust. beangsten wkw. beangstigen. beangstheid v.

Lees verder
1898
2022-09-28
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Beangst

BEANGST, bn. bw. benauwd, angstig, angst gevoelende, bevreesd; — iem. beangst maken, vrees inboezemen. BEANGSTHEID, v. (w. g.) vrees, angst.

Lees verder
1864
2022-09-28
Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal

I.M. Calisch (1864)

Beangst

Beangst, bn. en bijw. bevreesd; - maken, vrees inboezemen. *-HEID, v. gmv. vrees, angst. *-IGEN, bw. gel. (ik beangstigde, heb beangstigd), anstig maken, angst aanjagen. *-IGING, v. (-en).

Lees verder