Beamen
(beaamde, heeft beaamd), (eig.) amen op iets zeggen, vandaar : met iets instemmen, er zijn goedkeuring aan hechten, het eens zijn met: wat de spreker daar zeide, beaam ik ; een bewering, stelling beamen ; iets ten volle beamen, geheel en al instemmen met; het program ener partij beamen, die beginselen als de zijne erkennen.