2019-09-15

Baaivanger

Baaivanger - ruwe matroos, zwierbol; lange wollen zeemansjas.

2019-09-15

BAAIVANGER

m. (-s), kleedingstuk voor zeelieden, inwendig van baai en uitwendig van geolied linnen, ook waakrok en schanslooper geheeten; — een ruw matroos, een doordraaier; — een ruziemaker; — iem. die vlug en zwierig op zijne schaatsen rijdt; — (gew.) een haantje-de-voorste; iem. die niet bang is; een levenslustige, een woelige jongen; — (gew.) een zwaaiende vlieger, een schuddebol; — (veroud.) Groenlandsvaarder.

2019-09-15

baaivanger

baaivanger - m., een vlug en sierlijk schaatsenrijder; groenlandsvaarder.