Ba
BAH, I. tussenw., uitroep van physieke of zedelijke afkeer of walging; II. zn. o., het geluid, het zeggen van ba: bij het minste ba of boe, bij de minste kik; boe noch ba zeggen, niet het minste zeggen, taal noch teken geven; zonder boe of ba (te zeggen), zonder een enkel woord of teken ter verklaring, (ook) zonder gro...