Wat is de betekenis van avegaar?

2019
2021-06-18
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

avegaar

avegaar - Zelfstandignaamwoord 1. (gereedschap) boor voor gebruik in een booromslag, het boorsel wordt afgevoerd volgens het principe van de schroef van Archimedes, ook als grondboor Woordherkomst samenstelling van ave en gaar Synoniemen slangenboor

Lees verder
2009
2021-06-18
Wielersportwoordenboek

Wielersportwoordenboek door Jan Luitzen ©

avegaar

(de; -s) - boor om de naaf van een wiel uit te boren. Herkomst: van navegaar, waarvan de oorspr. begin-n is weggevallen; het is een samenstelling van naaf + gaiza (speer), dus een scherp gepunte stok om een naaf uit te hollen.

Lees verder
1994
2021-06-18
Vreemde woorden

Woordenboek vreemde woorden

Avegaar

[uit navegaar, van MNed. navegheer, van naaf en geer = spies, van Germ. *gaiza; dus eig.: spies of priem om naven te boren] bep. grote boor om wijde gaten te boren.

1993
2021-06-18
Vreemd Nederlands

Jan Meulendijks

Avegaar

grote boor

1990
2021-06-18
Art & Architecture Thesaurus

Art & Architecture Thesaurus

avegaar

avegaar - Handgereedschap met een lang, stalen boorijzer, waarvan de diameter meestal niet breder is dan 2.54 centimeter, met een houten handvat dat meestal verticaal is gezet ten opzichte van het boorijzer. Wordt gebruikt voor het boren van gaten in hout.

1973
2021-06-18
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Avegaar

Avegaar - m. (-s), grote houtboor, die dient om wijde gaten te maken en die met een dwarsstang wordt rondgedraaid; ook egger en effer geheten; wordt ook als grondboor gebruikt.

1952
2021-06-18
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Avegaar

s., noeger-, nôger-, nokerboar (de & it).

1950
2021-06-18
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Avegaar

m. (-s), grote boor, dienende om wijde gaten te maken en die met een dwarsstang wordt rondgedraaid; ook effer geheten.

1949
2021-06-18
De Kleine Winkler Prins

Kleine Winkler Prins van A-Z

Avegaar

naam van een grote houtboor.

1937
2021-06-18
Woordverklaring

Dr. L.M. Metz - 1937

Avegaar

Egger, aver. Lange rechte boor, welke met een dwarshout (zet) gedraaid wordt. Er zijn avegaars met een schroef (schroefavegaar, afb. blz. 22) en met een lepel (lepelavegaar).Gaar is afgeleid van geer, dat punt beteekent (vergel. geeren : in een punt uitloopen en aalgeer : ijzeren vork om paling te steken). Aaf is naaf, heeft de n verloren evenals a...

Lees verder
1933
2021-06-18
Iedereen

Encyclopedie voor Iedereen

Avegaar

groote boor, o.a. om gaten te maken in radnaven.

1919
2021-06-18
uitdrukkingen

Woorden en uitdrukkingen verklaard

Avegaar

voor navegaar (evenals aak voor naak, hgd. Nachen; adder voor nadder, mnl. nadre, hgd. Natter; arreslede voor narreslede; in Zeeland noom voor oom; zoo leest men in een oude klucht „sijn Egosy” en hoort men bij ’t volk: ,,’t is nog al ogisch”); mnl. navegaer, neveger, neffiger, naveger, avegaer, egger enz.; samenstelli...

Lees verder
1916
2021-06-18
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Avegaar

Avegaar - of effer, een boor met langen steel, met bovenaan een dwarskruk, waaraan de boor met beide handen telkens een halven slag kan worden rondgedraaid. Men onderscheidt dopeffers en draadeffers. De dopeffer heeft een halfcylindervormig ondereind met ronden boordop, de draadeffer heeft een spiraalvormig einde met twee platte boorbekken, aan elk...

Lees verder
1898
2021-06-18
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

AVEGAAR

m. (-s), groote boor, dienende om wijde gaten te maken en die met eene dwarsstang wordt rondgedraaid.

1870
2021-06-18
Winkler Prins 1870

Nederlandse encyclopedie

Avegaar

Avegaar is de naam van eene groote boor, die door de timmerlieden gebruikt wordt.