Synoniemen van Autobus

2019-11-18

Autobus

Motorvoertuig ingericht voor het vervoer van negen of meer passagiers (excl. de bestuurder).

2019-11-18

Autobus

Autobus - samenklontering van drollecoureurs, krabbers, pannekoeken en patattencoureurs tijdens bergritten. Ze rijden in hun eigen tempo en hun doel is om samen vóór het sluiten van de tijdcontrole binnen te zijn. Door hun grote aantal kunnen ze niet uit de wedstrijd gezet worden, mocht de tijdslimiet overschreden zijn. De autobus, ook wel afgekort tot bus, wordt meestal geleid door een rot in het vak. Deze geeft het tempo aan waarmee men op tijd kan arriveren. Hij wordt dan ook de buschauffeu...

2019-11-18

autobus

(in het Franse argot ook wel: omnibus), benaming voor de niet-klimmers die zich groeperen tijdens een bergrit om zo binnen de tijdslimiet aan te komen; samenklontering van zgn. drollecoureurs, krabbers, pannekoeken en patattencoureurs tijdens bergritten. Ze rijden in hun eigen tempo en hun doel is om samen vóór het sluiten van de tijdcontrole binnen te zijn. Door hun grote aantal kunnen ze niet uit de wedstrijd gezet worden, mocht de tijdslimiet overschreden zijn. De autobus, ook wel afgekort...

2019-11-18

autobus

autobus - zelfstandig naamwoord uitspraak: au-to-bus 1. vervoermiddel voor meer dan vier personen ♢ de autobus is een openbaar vervoermiddel Zelfstandig naamwoord: au-to-bus de autobus de autobussen het autobusje

2019-11-18

Autobus

Autobus - De autobus, verscheen voor het eerst in A. op 15 apr. 1911; op de tweede paasdag van dat jaar kon A. zich verbazen over een "helrode automobiel van buitengewone afmetingen". Deze bood plaats aan veertien personen en de eerste rit voerde naar de bollenvelden. De pers was enthousiast over deze wagen, waarvan de carrosserie door de fabriek van Spijker* gemaakt was voor het reisbureau Lissone*. LIT. J.H. Kruizinga, Het eerste reisbureau ontstond in 1876 in Amsterdam, O.A. 1976, 143.

2019-11-18

Autobus

Autobus - [samentrekking van automobiel en Lat. omnibus, voor allen], v./m. (-sen), (ook: bus), openbaar vervoermiddel dat wordt voortbewogen door een op of aan het voertuig aanwezige motor en dat ingericht is tot het vervoer van meer dan acht personen, de bestuurder daaronder niet begrepen. Autobussen, speciaal ingericht voor langere tochten, noemt men reiswagens of touringcars. Na de Eerste Wereldoorlog begon de autobus de trein en tram, vooral op de kortere afstanden, te verdringen. Hoewel h...

2019-11-18

AUTOBUS

v. (-sen), als omnibus gebruikte auto.