Wat is de betekenis van assistent?

2020
2021-01-18
Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

assistent

Het begrip assistent heeft 4 verschillende betekenissen: 1) hulpkracht. iemand die is aangesteld om een ander onder diens leiding te helpen bij zijn werkzaamheden; ook: het beroep of de functie van assistent. 2) arts in verdere opleiding. afgestudeerd arts in opleiding tot specialist. 3) helper van een hoogleraar. iemand die...

Lees verder
2018
2021-01-18
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

assistent

assistent - zelfstandig naamwoord uitspraak: as-sis-tent 1. iemand die een ander bij zijn werk helpt ♢ onze juf heeft tegenwoordig een assistent Zelfstandig naamwoord: as-sis-tent de assistent ...

Lees verder
1999
2021-01-18
Begrippen over beroep en opleiding

Begrippen over beroep en opleiding

Assistent

Een assistent (ook wel: assistent beroepsbeoefenaar) verricht onder toezicht een reeks routinematige, eenvoudige werkzaamheden die een uitvoerend karakter hebben (Colo on line, 1998).Kwalificatie op niveau 1 van de kwalificatiestructuur beroepsonderwijs.

1993
2021-01-18
Vreemd Nederlands

Vreemd Nederlands

Assistent

helper; medewerker

1990
2021-01-18
Art & Architecture Thesaurus

Art & Architecture Thesaurus

assistent

assistent - Personen die ondergeschikt aan een ander functioneren of als ambtenaar in een ondergeschikte rol functioneren.

1950
2021-01-18
Dikke Van Dale

Nederlands woordenboek (7e druk)

Assistent

m. (-en), 1. toegevoegd persoon, -beambte, helper, inz. bij werk van hogere aard; aan universiteiten als bepaalde rang: assistent van een hoogleraar; assistent bij de botanie, op een laboratorium, op het postkantoor, in een apotheek; 2. (Ind.) plantageemployé; 3. (R.-K.) geestelijke uit een der hogero orden, ter opluistering toegevoe...

Lees verder
1948
2021-01-18
Kramers woordentolk

Vreemde woorden, uitdrukkingen en afkortingen (1948)

assistent

m. 1 helper, hulp ; toegevoegd persoon ; 2. toeziende, administrerende plantage-employé (Sumatra).

1939
2021-01-18
Humoristisch woordenboek

Amusant-Zorgenverdrijvend Woordenboek (De Kolibri)

Assistent

Bliksemafleider voor proffessoriale donderbuien.

1933
2021-01-18
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Assistent

Assistent - = bijwoner, bijstaander; assistentie = bijwoning, bijstand. 1° In de liturgie gezegd van geestelijken uit de hoogere zie Orden, dikwijls slechts tot opluistering toegevoegd aan den celebrant. zie Diakenassistent, Presbyterassistent. 2° A. worden ook genoemd de raadslieden van ordeoversten, wier bevoegdheid zich dikwijls uitstrekt over e...

Lees verder
1916
2021-01-18
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Assistent

Assistent - (Fr.), eig. helper, echter meestal gebruikt in bepaalde bet. als titel: a. aan een Universiteit of hoogeschool is de wetenschappelijke helper van een hoogleeraar; a. op een postkantoor is de naam voor een beambte beneden den rang van commies; a. in een apotheek is een gediplomeerde bediende. In de koloniën is a. ook de titel voor een op...

Lees verder
1914
2021-01-18
De vreemde woorden

De vreemde woorden, verklarend woordenboek door Fokko Bos.

assistent

assistent - m. helper; toegevoegd persoon.

1910
2021-01-18
Handelslexicon

Handelslexicon (1910) door J. Hagers

Assistent

Assistent - toegevoegde.

1898
2021-01-18
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

ASSISTENT

m. (-en), min of meer ondergeschikt helper de assistent van den hoogleeraar in de scheikunde; de assistent bij de botanie; een assistent op het postkantoor, in eene apotheek; — (Ind.) plantageemployé. ASSISTENTE, v. (-n).

Lees verder