Wat is de betekenis van arts?

2020
2022-10-02
Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

arts

dokter. iemand die op grond van een academische graad bevoegd is de geneeskunde te beoefenen, na de diplomering als basisarts nog onder supervisie van een begeleidend arts en na een specialisatieopleiding vervolgens als huisarts of als specialist; ook: beroep, functie of titel van arts. Voorbeelden: De opleiding tot Arts bestaat uit...

Lees verder
2019
2022-10-02
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

arts

arts - Zelfstandignaamwoord 1. (medisch) (beroep) een geneeskundige die bevoegd is een praktijk uit te oefenen Ga morgen even bij de arts langs. Zij werkt als arts in het ziekenhuis. Synoniemen dokter, geneesheer, medicus Verwante b...

Lees verder
2018
2022-10-02
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

arts

arts - zelfstandig naamwoord 1. wie een officiële bevoegdheid heeft om zieken te behandelen ♢ die man is ziek, er moet een arts bij komen Zelfstandig naamwoord: arts de arts de artsen Synoniemen...

Lees verder
2017
2022-10-02
Leendert Brouwer

CBG|Familienamen

Arts

Patroniem afgeleid van de voornaam Art of Aart < Arnold, verbogen met een -s (< Artszoon).

2010
2022-10-02
Dokterswoordenboek

Ruim 2300 medische begrippen, omschreven door Jannes van Everdingen en Arnoud van den Eerenbeemt

arts

Iemand die medicijnen heeft gestudeerd. Een dokter is een arts, maar een arts is niet altijd een dokter. De opleiding tot arts heet ‘studie medicijnen’, ‘studie geneeskunde’ of ‘medische studie’. Iemand die medicijnen heeft gestudeerd en die deze opleiding heeft afgemaakt, mag zich ‘arts’ of ‘medicus’ noemen. Ook als die persoon niet als arts gaat...

Lees verder
1980
2022-10-02
Blauwe Scheen

Lexicon Beeldende Kunstenaars

Arts

Hendrikus Antonius Hubertus (‘Henri’); geb. Wijchen 3 november 1877, overl. Nijmegen 8 september 1958. Woonde en werkte in Wijchen. Houtsnijder.Scheen 1969.

Lees verder
1955
2022-10-02
Katholicisme encyclopedie

Onder redactie van Prof. dr. J.C. Groot

ARTS

In de Oudheid waren godsdienst en geneeskunde veelal ten nauwste verbonden. De priester was tegelijk ook de geneesheer en bij primitieve volken bovendien de magiër of tovenaar. In de Bijbel wordt ziekte gezien als overgezonden of toegelaten door God en geldt Jahweh daarom ook als de voornaamste Geneesheer. Men tracht genezing te verkrijgen doo...

Lees verder
1954
2022-10-02
Medisch Encyclopedie 1954

Eerste Medisch Systematische Ingerichte Encyclopedie

Arts

medicus, genees-, heel- en verloskundige, iemand die (door het met goed gevolg afleggen van het daarvoor ingestelde staatsexamen) de bevoegdheid tot het uitoefenen van de geneeskunde heeft ontvangen. Bij het ontvangen van de artsenbul na het artsexamen legt de arts de artseneed of -gelofte af. zie Hippocrates.

1952
2022-10-02
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Arts

s., dokter.

1950
2022-10-02
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Arts

m. (-en), geneesheer ; inz. als titel bij de wet verleend: Dr. N., arts; hij heeft zich als arts te A. gevestigd ; vgl. oog-, tand-, veearts, semi-arts.

1949
2022-10-02
De Kleine Winkler Prins

Encyclopedie van A tot Z - 1949

Arts

geneesheer, titel bij de wet verleend na aflegging van het artsexamen.

1937
2022-10-02
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

arts

m. artsen (Hoogduits: Arzt [Gr. archiatros = opperlijfarts]: titel bij de wet verleend na afgelegd artsexamen; geneesheer).

1933
2022-10-02
Iedereen

Encyclopedie voor Iedereen

Arts

b/d wet vastgestelde titel v/d geneeskundige, die het artsexamen met goed gevolg heeft afgelegd en dus minstens doctorandus i/d geneeskunde is. Artus → Arthur. A.-hoven, i/d Middeleeuwen gebouwen waar de ridders bijeen kwamen om elkaar hun avonturen te vertellen.

Lees verder
1930
2022-10-02
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

arts

m. (-en) [Gr. archiatros, opperarts] geneesheer inz. als titel bij de wet verleend: mannelijke, vrouwelijke -.

1929
2022-10-02
Geneeskundige Encyclopaedie 1929

Dr. Ch. Bles

Arts

iemand die bevoegd is tot het uitoefenen van de genees-, heel- en verloskundige practijk in haar geheelen omvang.

1916
2022-10-02
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Arts

Arts - beteekent in het algemeen geneeskundige. Verder wordt met dit woord aangeduid de titel, die in Nederland verkregen wordt na het afleggen van een bepaald staatsexamen. Het bezit van het diploma van arts geeft het recht de geneeskunde in Nederland in haar vollen omvang uit te oefenen. (Zie GENEESKUNDE (uitoefenen van de). In de samenstellingen...

Lees verder
1911
2022-10-02
pluim

Keur van Nederlansche woordafleidingen

Arts

(geneesheer) wordt gehouden voor een afl. van ’t M.-Latijnsche archiater, Gr. archiatros [archi — aarts, iatros = geneesheer), den titel van de hofartsen der Frankische koningen. — Het woord artsenij is een afl. van arts, maar op welke wijze, weet men niet.

1908
2022-10-02
Vivat

Schrijver op Ensie

Arts

Een titel die de bevoegdheid tot uitoefening der geneeskunst in haar vollen omvang verleent, en verkregen wordt door het afleggen van het practisch arts-examen (Wet van 25 Dec. 1878, Staatsbl. no. 222); semiarts: iemand die het eerste deel van het artsexamen heeft afgelegd.

1898
2022-10-02
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

ARTS

ra. (-en), geneesheer; inz. als titel bij de wet verleend hij heeft zich als arts te A. gevestigd; Dr. N., arts; na zijn examen als arts krijgt hij de praktijk van zijn oom; vgl. oog-, tand-, paarden- en veearts en semi-arts.

1870
2022-10-02
Winkler Prins 1870

Nederlandse encyclopedie

Arts

Zie Geneesheer.