Wat is de betekenis van armzalig?

2019
2022-01-20
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

armzalig

armzalig - Bijvoeglijk naamwoord 1. van weinig waarde Ze woonden in een armzalig huis, maar waren wel gelukkig. Woordherkomst afgeleid van arm met het achtervoegsel -zalig Synoniemen ellendig, schamel

Lees verder
2018
2022-01-20
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

armzalig

armzalig - zelfstandig naamwoord uitspraak: arm-za-lig 1. wat niet veel voorstelt, onbeduidend ♢ ze hebben maar een armzalig huisje 1. een armzalig loontje [heel laag] Zelfstandig na...

Lees verder
1980
2022-01-20
Van aalmoes tot zwijntjesjager

Geschreven door Dr. E. Schröder, 1980

Armzalig

Woorden als armzalig en rampzalig maken wel een wat vreemde indruk. Bij het eerste zou men nog kunnen denken aan: zalig zijn de armen van geest, maar wat moeten we dan met het tweede aan? Wanneer een ramp geschiedt, pleegt men zich toch niet zalig te gevoelen. Wij zullen bij de verklaring van beide woorden moeten uitgaan van een samenvoeging: twee...

Lees verder
1952
2022-01-20
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Armzalig

adj. & adv., earmhertich, skiterich, nearzich.

1950
2022-01-20
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Armzalig

bn. bw. (-er, -st), 1. (veroud.) rampspoedig, zeer ongelukkig ; — 2. armoedigd, pover : er armzalig uitzien ; een armzalig vertrek ; — 3. nietig, gering : een armzalig traktement; — nietszeggend, onbetekenend: armzalige uitvluchten ; de armzalige inhoud van dat boek ; 4. zeer dom : armzalige f...

Lees verder
1937
2022-01-20
Koenen

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

armzalig

bn., bw. (1 van personen: machteloos, gering; 2 van zaken: nietig; geen waarde hebbend; 3 armoedig, pover): 1. armzalige stervelingen; 2. een armzalig traktement; 3. armzalige meubeltjes.

Lees verder
1919
2022-01-20
uitdrukkingen

Woorden en uitdrukkingen verklaard

Armzalig

nog niet in 't mnl.; niet een samenstelling van arm en -zalig, maar een samenstellende afleiding van arm en zaal door den uitgang ig, waarin het woord zaal een oudgermaansch woord is, met de bet. tijd, omstandigheid, gelegenheid, ook gunstige tijd en geluk; de oorspr. bet. was ellendig, rampspoedig. Later verzwakte de bet. en nu heeft het die...

Lees verder
1898
2022-01-20
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

ARMZALIG

bn. ook bw. rampzalig, zeer ongelukkig; beklagenswaardig (van personen): er armzalig uitzien: — nietig, gering: mijn armzalig traktement, — armoedig: een armzalig vertrek; — armzalige fouten, zeer dom.

Lees verder