Wat is de betekenis van arbeider?

2024-05-22
Prisma Groot Woordenboek Nederlands

Unieboek | Het Spectrum (2024)

2024-05-22
Algemeen Nederlands Woordenboek

Algemeen Nederlands Woordenboek (2009-heden)

arbeider

Het begrip arbeider heeft 2 verschillende betekenissen: 1) werknemer voor productiearbeid. iemand die voor zijn beroep productiearbeid verricht voor een bedrijf of een baas, vaak in een fabriek; werknemer die handenarbeid verricht. 2) werknemer. iemand die voor zijn beroep in dienst is bij een werkgever en meestal praktische arbeid v...

2024-05-22
Nederlandstalige WikiWoordenboek

Wiktionary (2019)

arbeider

arbeider - Zelfstandignaamwoord 1. iemand die voor een loon arbeid levert Voor ongeschoolde arbeiders is er tegenwoordig weinig werk te vinden. Woordherkomst afgeleid van de werkwoordstam van arbeiden (arbeid) met het achtervoegsel -er Synoniemen werker, werkkracht, werkma...

2024-05-22
Muiswerk Educatief

Muiswerk Educatief (2017)

arbeider

arbeider - zelfstandig naamwoord uitspraak: ar-bei-der 1. iemand die lichamelijk werk doet waar weinig opleiding voor nodig is ♢ er werkten in 1900 veel arbeiders in de fabrieken 1. gastarbeider [a...

2024-05-22
Zuid-afrikaans woordenboek

H.J. Terblanche - M.A., D. Litt

arbeider

1. werksman (liggaamlik); geestelike werker. 2. Arbeider: lid v/d politieke Arbeidersparty.

2024-05-22
Agrarisch Encyclopedie

Veerman (1954)

Arbeider

Persoon, die voor zijn levensonderhoud er uitsluitend of in hoofdzaak op is aangewezen om zijn arbeidskracht in dienst van een ander aan te wenden. In de zin van het B.W. is a. ieder, die zich bij een overeenkomst verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten (art. 1637a ).

2024-05-22
Frysk Wurdboek (Friesch woordenboek)

Fa. A.J. Osinga (1952)

Arbeider

s., arbeider, wurkman, bodder.

2024-05-22
Woordenboek Nederlands-Turks

Mehmet Kiriş (2024)

Wil je toegang tot alle 20 resultaten?

Ja, ik word vriend van Ensie!
2024-05-22
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Arbeider

m. (-s), 1. iem. die moet leven van het loon dat hij voor zijn (handen)arbeid krijgt: arbeiders op het veld, boerenarbeiders ; arbeiders in de venen, veenwerkers ; arbeiders in verschillende takken van nijverheid, werklieden; — spr. de arbeider is zijn loon waardig ; 2. iem. die op geestelijk of zedelijk gebied kr...