Wat is de betekenis van apotheek?

2020
2021-04-20
Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

apotheek

Het begrip apotheek heeft 2 verschillende betekenissen: 1) winkel voor medicijnen. winkel waar al dan niet op recept verstrekte geneesmiddelen worden verkocht, die hetzij kant en klaar door de farmaceutische fabriek worden aangeleverd, hetzij ter plekke door de apotheker en/of de apothekersassistenten worden bereid. 2) collectie medicijn...

Lees verder
2020
2021-04-20
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

apotheek

(16e eeuw) (euf.) beerput. Zinspeling op de welriekende kruiden in de apotheek. Vermeld in het WNT. • Den meisteren vanden rondenweerck gegeven aen kerssen ende loen, doe sy die apteeik aender Burchpairten op braken, hem gegeven... (Rekeningen der stad Nijmegen 1382-1543. Volumes 3-4. 1912) • (Jaap Engelsman, Joep Kruijsen, Ewoud Sanders...

Lees verder
2019
2021-04-20
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

apotheek

apotheek - Zelfstandignaamwoord 1. (medisch) plaats waar men geneesmiddelen en andere gezondheidsproducten kan kopen Medicijnen die voorgeschreven zijn door de arts kun je ophalen bij de apotheek. 2. voorraad medicamenten Op vakantie heb ik een reisapotheek...

Lees verder
2018
2021-04-20
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

apotheek

apotheek - zelfstandig naamwoord uitspraak: a-po-theek 1. winkel waar je medicijnen koopt ♢ deze pijnstillers moet je in de apotheek halen Zelfstandig naamwoord: a-po-theek de apotheek d...

Lees verder
2017
2021-04-20
Uit Oost en West

verklaring van 1000 woorden uit Nederlands-Indië

apotheek

zie bodega.

Lees verder
2004
2021-04-20
Woordenboek van Eufemismen

Marc De Coster

apotheek

Zestiende-eeuws eufemisme voor beerput. Er wordt schertsend gezinspeeld op de welriekende kruiden van een apotheek. Thans verouderd. Den meisteren vanden rondenweerck gegeven aen kerssen ende loen, doe sy die apteeik aender Burchpairten op braken, hem gegeven 35 st. Rekeningen der stad Nijmegen. 1526, geciteerd in WNT

Lees verder
1981
2021-04-20
zelfstudie

Encyclopedie voor Zelfstudie

Apotheek

In tegenstelling met de drogisterij mogen in apotheken ook die geneesmiddelen bereid en verkocht worden die door artsen zijn voorgeschreven. De apotheker heeft aan de universiteit farmacie gestudeerd.

1980
2021-04-20
Van aalmoes tot zwijntjesjager

Geschreven door Dr. E. Schröder, 1980

Apotheek

Het Griekse werkwoord apotithèmi betekent: wegzetten. Het zelfstandig naamwoord apothèkè is dus: het weggezette en vandaar: de bergplaats, de bewaarplaats, de zolder, de kelder, het magazijn. In het Italiaans en het Frans heeft het woord de a verloren en de p is tot b geworden; vandaar de woorden bottega en boutique. Aanvankeli...

Lees verder
1955
2021-04-20
vreemd

Vreemde woordenboek

Apotheek

eig. bergplaats; plaats waar geneesmiddelen bereid en verkocht worden.

1954
2021-04-20
Medisch

Eerste Medisch Systematische Ingerichte Encyclopedie

Apotheek

plaats waar geneesmiddelen volgens algemene voorschriften (zie farmacopee) of speciale recepten toebereid, verkocht en afgeleverd worden.

1952
2021-04-20
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Apotheek

s., apotheek (de & it), apteek (de & it).

1950
2021-04-20
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Apotheek

(<Gr.), v. (...theken), 1. werkplaats en winkel waar geneesmiddelen worden toebereid en verkocht (vroeger ook eetwaren, specerijen, wijn enz.), artsenij winkel (in de spreektaal apteek); — (spr.) van zijn lichaam een apotheek maken, vele en velerlei geneesmiddelen gebruiken; — ik ben de hele apotheek door geweest,...

Lees verder
1949
2021-04-20
De Kleine Winkler Prins

Kleine Winkler Prins van A-Z

Apotheek

de inrichting waar geneesmiddelen volgens de Ned. Pharmacopee* worden toebereid op recept van de arts. In ruimere zin: de winkel, waar naast de aflevering van de toebereide geneesmiddelen zgn. praeparaten, verbandmiddelen en ziekenverplegingsartikelen worden verkocht. Aan het hoofd van de A. staat de apotheker, die zijn beroep slechts mag uitoefene...

Lees verder
1933
2021-04-20
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Apotheek

Apotheek - ( Gr. apothèkè = bergplaats). Door gewoonte en wet is dit begrip beperkt tot de bereidings-, onderzoek- en verkoopplaatsen van geneesmiddelen, die beheerd worden door daartoe bevoegden. De wetten van alle beschaafde landen bevatten bepalingen over het beheer van en het toezicht op apotheken, de geneesmiddelen en utensiliën, die in voorra...

Lees verder
1916
2021-04-20
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Apotheek

Apotheek - het Grieksche woord voor bergplaats, dat in dezelfde beteekenis in het klassieke Latijn is overgegaan, waar het gewoonlijk beteekende de ruimte boven in het huis, waar de wijn werd bewaard, doch ook voorkomt als boekenmagazijn (apotheka librorum). In de Middeleeuwen is de naam beperkt tot die lokaliteiten, waarin geneesmiddelen voorradig...

Lees verder
1898
2021-04-20
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

APOTHEEK

v. (...theken), werkplaats en winkel waar geneesmiddelen worden toebereid en verkocht (vroeger ook eetwaren, specerijen, wijn enz.), artsenijwinkel (in de spreektaal apteek); — (spr.) van zijn lichaam eene apotheek maken, vele en velerlei geneesmiddelen gebruiken; — ik ben de heele apotheek door geweest, ik heb allerlei geneesmiddelen b...

Lees verder
1870
2021-04-20
Winkler Prins 1870

Nederlandse encyclopedie

Apotheek

Apotheek is de naam van het gebouw, dat de artsenijmenger noodig heeft voor zijn bedrijf, namelijk, een magazijn, waar hij zijne grondstoffen bewaart, een laboratorium, waar hij de zelfstandigheden bereidt, welke hij tot het zamenstellen van geneesmiddelen behoeft, en een winkel, waar die zelfstandigheden aanwezig zijn. Tot het magazijn beho...

Lees verder