Wat is de betekenis van Anti?

2020
2022-06-25
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

anti

1. (2003) (jeugd) Antilliaan(se). Vgl. Suri* en Paki*. • Anti: Jongerentaalafkorting voor Antilliaan. (Martin Meulenberg: Van adat tot zwart-rechts. Lexicon van de multiculturele samenleving. 2003) • 'Wel een condoom gebruiken,' waarschuwde hij. 'Altijd bij Anti's.' (Robert Vuijs-je: Alleen op de wereld. 2009) • Een stukje verderop...

Lees verder
2019
2022-06-25
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

anti

anti - Zelfstandignaamwoord 1. de tegenstander De anti's hebben de verkiezingen verloren. anti - Bijwoord 1. tegen Ik ben vaak anti, vooral als andere mensen vóór zijn. Woordherkomst afgeleid van het Grieks: 'anti'

Lees verder
2017
2022-06-25
Martin Meulenberg

Lexicon van de multiculturele samenleving

Anti

Jongerentaalafkorting voor Antilliaan.

1993
2022-06-25
Vreemd Nederlands

Jan Meulendijks

Anti

tegen

1955
2022-06-25
Vreemd woordenboek

Vreemde woorden woordenboek

Anti

tegen.

1954
2022-06-25
Agrarisch

Agrarisch Encyclopedie

Anti

(Grieks) legen; als voorvoegsel in vele samengestelde woorden in deze of nauw daaraan verwante betekenis. B.v. tegenwerkend (antigeen, antitoxine), vijandig tegenover (anti-stoffen), in tegengestelde richting (antiperistaltiek), tegenovergesteld (antipoden = tegenvoeters).

1952
2022-06-25
Frans

Frans woordenboek

Anti

tegen; voor (ter vervanging v. anté-).

1950
2022-06-25
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Anti

(Gr.), vz., tegen, meest in samenstellingen; ook bijv. en zelfstandig gebruikt: hij is fel anti; dat is een anti, een tegenstander.

1949
2022-06-25
De Kleine Winkler Prins

Kleine Winkler Prins van A-Z

Anti

(Gr.), tegen.

1939
2022-06-25
Humoristisch woordenboek

Amusant-Zorgenverdrijvend Woordenboek (De Kolibri)

Anti

Houding van tegenstanders; zelfs bij processen.

1937
2022-06-25
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

anti

vz. (Gr. tegen, tegenover); veel in samenstellingen: Anti-trekhonden-bond; soms in plaats van Lat. ante: z. anticiperen.

1933
2022-06-25
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Anti

Anti - (Gr., = tegen). Caesar schreef twee, niet overgebleven, Anticatones: strijdschriften tegen de verheerlijking van Cato den jongeren door Cicero en Brutus, Cato’s schoonzoon.

1929
2022-06-25
Geneeskundige Encyclopaedie 1929

Dr. Ch. Bles

Anti

of ant, Grieksch voorzetsel, dat tegenover, tegenwerkend bedoelt, in Latijnsche samenstellingen beduidt het echter vóór.

1916
2022-06-25
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Anti

Anti - (ook wel Kampa genoemd), een Z.-Amerikaansche Indianenstam, behoorende tot de Arowaksche groep. Aan de rivieren Huallaga en Ucayali in de oostelijke helft van Peru.

1910
2022-06-25
Handelslexicon

Handelslexicon (1910) door J. Hagers

Anti

Anti - tegen.

1898
2022-06-25
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

ANTI

(in samenkoppelingen vaak in één woord geschreven) tegen; ook zelfstandig gebruikt dat is een anti, een tegenstander.

1870
2022-06-25
Winkler Prins 1870

Nederlandse encyclopedie

Anti

Anti is een Grieksch voorzetsel, dat dikwijls met Latijnsche of Grieksche woorden verbonden wordt. Bij eerstgenoemde beteekent zij vóór, zooals bij anticipatie (bij voorraad), antichambre (voorkamer), en bij laatstgenoemde tegen, zooals in de benaming van geneesmiddelen, die tegen eene kwaal worden aangewend (anti-epilep...

Lees verder
1864
2022-06-25
Beknopt kunstwoordenboek

Beknopt kunstwoordenboek, I.M. Calisch (1864)

anti

anti - tegen