Wat is de betekenis van Angelsaksisch?

2019
2021-01-17
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

Angelsaksisch

Angelsaksisch - Zelfstandignaamwoord 1. (taal) het Engels zoals het tussen 400 en 1100 werd gesproken en dat de voorloper van het moderne Engels is Het Angelsaksisch werd een lange tijd gesproken. Woordherkomst afgeleid van Angelsaks met het achtervoegsel -isch Synoniemen O...

Lees verder
1993
2021-01-17
Vreemd Nederlands

Vreemd Nederlands

Angelsaksisch

Oudengels

1990
2021-01-17
Art & Architecture Thesaurus

Art & Architecture Thesaurus

Angelsaksisch

Angelsaksisch - Verwijst naar de periode en stijl die wordt geassocieerd met de verovering van het grootste deel van de Britse eilanden door Germaanse Saksen en Angelen uit Sleeswijk en het Oostzeegebied, vanaf de opeenvolgende invasies in de 5de en 6de eeuw n. Chr. tot na hun bekering tot het christendom. De stijl kenmerkt zich door de vermenging...

Lees verder
1950
2021-01-17
Dikke Van Dale

Nederlands woordenboek (7e druk)

Angelsaksisch

I. bn., eig. : van de Angelsaksen ; bij uitbr. : Engels ; de Angelsaksische landen, de Engelssprekende, Engeland en Amerika ; II. zn. o., taal der Angelsaksen, Oudengels. Ook ANGELSASSISCH.

Lees verder
1933
2021-01-17
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Angelsaksisch

Angelsaksisch - of oud-Engelsch heet de taal van de Angelsaksen tot ca. 1100 (daarna middel-Engelsch). Het A. omvat: het Northumbersch (N. van Engeland en Z.Schotland), het Mercisch (centraal Engeland), Kentisch (Kent) en West-Saksisch (ten Z. van de Theems en ten W. van Kent), tezamen nochtans één taal. De oudste glossen dagteekenen van ca. 700, v...

Lees verder