Wat is de betekenis van Amsterdammer?

2024-02-25
Algemeen Nederlands Woordenboek

Algemeen Nederlands Woordenboek (2009-heden)

Amsterdammer

iemand uit Amsterdam. iemand die afkomstig is uit Amsterdam; inwoner van Amsterdam. Voorbeelden: 'D'r is maar één Artis!' riep hij met het chauvinisme van de ware Amsterdammer. Simon Carmiggelt, Welverdiende onrust, 1982 Het Vondelpark is zonder twijfel het bekendste en drukst bezochte park van Ne...

2024-02-25
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Marc De Coster (2020-2024)

Amsterdammer

1. (1951) (Rotterdam, havenarb.) slechte hijs; hijs (ladinggedeelte) die uit de strop valt. In het Bargoens ook wel: Mokumer*. • Hij moet in één oogopslag kunnen zien of ze beneden „in de put" een „Amsterdammer" hebben gemaakt (dat is. een slechte lus, een gevaarlijke stapeling) en dan laat hij die netjes overmaken. D...

2024-02-25
Nederlandstalige WikiWoordenboek

Wiktionary (2019)

Amsterdammer

Amsterdammer - Zelfstandignaamwoord 1. (demoniem) inwoner van Amsterdam, hoofdstad van Nederland Amsterdammer - Bijvoeglijk naamwoord 1. (demoniem) gerelateerd aan of afkomstig uit Amsterdam Woordherkomst afgeleid van Amsterdam met het achtervoegsel -er Synoniemen Amsterdams

2024-02-25
Jargon & Slang van Havenarbeiders

Marc de Coster (2017)

Amsterdammer

Amsterdammer - hijs (ladinggedeelte) die uit de strop valt. Deze term wordt alleen gebruikt in Rotterdam. In de Amsterdamse haven zou zon hijs een Rotterdammer kunnen heten, hetgeen in het citaat hieronder bevestigd wordt. Amsterdammer is ook de benaming voor een klein sleepbootje dat onder bruggen kan doorvaren. Een enkele maal ook klapt een hijs...

Wil je toegang tot alle 9 resultaten?

Ja, ik word vriend van Ensie!
2024-02-25
Bierwoordenboek

Bierwoordenboek.nl (2017)

Amsterdammer

Amsterdammer is een cafébenaming voor een bierglas met een schuine rechte zijwand. De jonker en het fluitje lopen, in tegenstelling tot het amsterdammertje, naar binnen toe in het bovenste deel van het glas.

2024-02-25
ABC van de Hengelsport

Van Onck (1972)

Amsterdammer

Amsterdammer - (zie Dobbers).

2024-02-25
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Amsterdammer

m. (-s), 1. bewoner van Amsterdam ; 2. beurtschip, (ook) beurtschipper op Amsterdam ; 3. weekblad in Amsterdam uitgegeven.

2024-02-25
Modern Woordenboek

Jozef Verschueren (1930)

Amsterdammer

(amstər'dammər) m. (-s). I Eig. persoon die met Amsterdam bepaalde betrekkingen heeft nl. 1. bewoner, man afkomstig van Amsterdam. 2. beurtschipper op Amsterdam. II. Metn. [van I 2] beurtschip op Amsterdam.

2024-02-25
Groot woordenboek der Nederlandsche taal

J.H. van Dale (1898)

AMSTERDAMMER

m. (-s), bewoner van Amsterdam; — beurtschip, (ook) beurtschipper op Amsterdam; — weekblad in Amsterdam uitgegeven.