Wat is de betekenis van Amsterdammer?

2022
2022-12-06
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2022.

Amsterdammer

1. (1951) (Rotterdam, havenarb.) slechte hijs; hijs (ladinggedeelte) die uit de strop valt. In het Bargoens ook wel: Mokumer*. • Hij moet in één oogopslag kunnen zien of ze beneden „in de put" een „Amsterdammer" hebben gemaakt (dat is. een slechte lus, een gevaarlijke stapeling) en dan laat hij die netjes overmaken. D...

Lees verder
2020
2022-12-06
Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

Amsterdammer

iemand uit Amsterdam. iemand die afkomstig is uit Amsterdam; inwoner van Amsterdam. Voorbeelden: 'D'r is maar één Artis!' riep hij met het chauvinisme van de ware Amsterdammer. Simon Carmiggelt, Welverdiende onrust, 1982 Het Vondelpark is zonder twijfel het bekendste en drukst bezochte park van Ne...

Lees verder
2019
2022-12-06
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

Amsterdammer

Amsterdammer - Zelfstandignaamwoord 1. (demoniem) inwoner van Amsterdam, hoofdstad van Nederland Amsterdammer - Bijvoeglijk naamwoord 1. (demoniem) gerelateerd aan of afkomstig uit Amsterdam Woordherkomst afgeleid van Amsterdam met het achtervoegsel -er Synoniemen Amsterdams

Lees verder
2017
2022-12-06
Havenarbeiders

Jargon & Slang van Havenarbeiders

Amsterdammer

Amsterdammer - hijs (ladinggedeelte) die uit de strop valt. Deze term wordt alleen gebruikt in Rotterdam. In de Amsterdamse haven zou zon hijs een Rotterdammer kunnen heten, hetgeen in het citaat hieronder bevestigd wordt. Amsterdammer is ook de benaming voor een klein sleepbootje dat onder bruggen kan doorvaren. Een enkele maal ook klapt een hijs...

Lees verder
1997
2022-12-06
Bierwoordenboek

Informatie voor en door de bierliefhebber

Amsterdammer

Amsterdammer is een cafébenaming voor een bierglas met een schuine rechte zijwand. De jonker en het fluitje lopen, in tegenstelling tot het amsterdammertje, naar binnen toe in het bovenste deel van het glas.

Lees verder
1972
2022-12-06
ABC van de Hengelsport

Schrijver op Ensie

Amsterdammer

Amsterdammer - (zie Dobbers).

1950
2022-12-06
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Amsterdammer

m. (-s), 1. bewoner van Amsterdam ; 2. beurtschip, (ook) beurtschipper op Amsterdam ; 3. weekblad in Amsterdam uitgegeven.

Lees verder
1930
2022-12-06
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

Amsterdammer

(amstər'dammər) m. (-s). I Eig. persoon die met Amsterdam bepaalde betrekkingen heeft nl. 1. bewoner, man afkomstig van Amsterdam. 2. beurtschipper op Amsterdam. II. Metn. [van I 2] beurtschip op Amsterdam.

Lees verder
1898
2022-12-06
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

AMSTERDAMMER

m. (-s), bewoner van Amsterdam; — beurtschip, (ook) beurtschipper op Amsterdam; — weekblad in Amsterdam uitgegeven.

Lees verder