Amen
I. tw., slotwoord van gebeden, preken (de oorspr. betek. is: dat is zo, dat zij zo); (Zuidn.) amen en uit! afgelopen! II. zn. o., het woord amen: toen het amen uitgesproken was; — amen (.op iets) zeggen, er mee instemmen, er in toestemmen; — ja en amen (op iets) zeggen, kritiekloos instemmen met &mdash...