Wat is de betekenis van alledaags?

2019
2022-01-23
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

alledaags

alledaags - Bijvoeglijk naamwoord 1. gewoon, normaal, niet ongewoon De beroemde artiest bleef een alledaags meisje dat normaal bleef doen zonder sterallures en dat wat eigenlijk ook heel bijzonder. alledaags - Bijvoeglijk naamwoord 1. paritief van de stellende trap van alled...

Lees verder
2018
2022-01-23
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

alledaags

alledaags - bijvoeglijk naamwoord uitspraak: al-le-daags 1. wat elke dag terugkeert ♢ douchen is een alledaagse handeling 2. wat niet opvallend is, niet bijzonder ♢ zij heeft een alledaags uiter...

Lees verder
1952
2022-01-23
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Alledaags

adj. & adv., deisk, ienfâldich, sljochtwei(hinne), sljocht hinne en wer.

1950
2022-01-23
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Alledaags

bn. (-er, -t, meest omschreven), 1. iedere dag terugkerend: alledaagse bezigheden; alledaagse koorts ; 2. alle dagen voorkomend, banaal, zeer gewoon, niet merkwaardig, zich door niets onderscheidende, niet uitmuntend (geringschattend gezegd): een alledaags gezicht; alledaagse gezegden, voorvallen; een alledaags dichter.

Lees verder
1937
2022-01-23
Koenen

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

alledaags

bn. (1 hetgeen elke dag terugkeert; 2 gewoon, niet merkwaardig, niet uitmuntend; 3 onbeduidend): 1. de alledaagse (ook: daagse) koorts; 2. de alledaagse tinkleurige haringen in het aquarium; 3. een alledaags mens.

Lees verder