Wat is de betekenis van AFZWAAIEN?

2025-12-17
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Afzwaaien

(zwaaide af, heeft en is afgezwaaid), 1.met een zwaai afscheiden, afrukken, afbreken, hetzij door het voorwerp zelf in de rondte te zwaaien en daardoor af te rukken, hetzij door er met een slingerende draai tegenaan te komen, zodat het afbreekt: hij heeft de knop van de stok afgezwaaid ; iem. de hoed van het hoofd af zwaaien ; 2. (ge...

2025-12-17
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Marc De Coster (2020-2025)

afzwaaien

(1914) (sold.) met groot verlof gaan (na zijn diensttijd). Syn.: zwenken*. • Het gaan met groot verlof heet te Amsterdam „afzwaaien". Algemeen is „bij-teekenen" opnieuw teekenen nadat de diensttijd om is. (de Sumatra Post, 17/12/1914) • Aan de rubriek uitdrukkingen betreffende den dienst ontleenen wij; afzwaaien: een missch...

2025-12-17
Nederlandstalige WikiWoordenboek

Wiktionary (2019)

afzwaaien

afzwaaien - Werkwoord Woordherkomst samenstelling van af en zwaaien

2025-12-17
Jargon & Slang van Soldaten

Marc De Coster (2017)

Afzwaaien

Afzwaaien - misschieten. Zo genoemd omdat met een aanwijsstok gezwaaid wordt. Oorspr. een huzarenterm uit Tilburg. Meer algemeen is de betekenis met groot verlof gaan. De Engelsen gebruiken hiervoor de uit­ drukking be bowler-hatted of to get ones bowler (zijn bolhoed terugkrijgen, het symbool van het burgerschap). In het Franse militaire argot no...

2025-12-17
Bridge Opzoekboek

drs. Toine van Hoof (2017)

afzwaaien

Een bod doen waarop de partner geacht wordt te passen, zodat dit bod het eindcontract wordt.

2025-12-17
Frysk Wurdboek (Friesch woordenboek)

Fa. A.J. Osinga (1952)

Afzwaaien

v., ôfswaeije.

2025-12-17
Verklarend handwoordenboek der Nederlandse taal

M. J. Koenen's (1937)

afzwaaien

zwaaide af, i. afgezwaaid (mil. gedemobiliseerd worden).

2025-12-17
Modern Woordenboek

Jozef Verschueren (1930)

afzwaaien

('af) (zwaaide af, afgezwaaid) I. (heeft) met een zwaai afrukken : rozen -. II. (is) 1. met een slingerende beweging weggaan : daar kwam de dronkeman -. 2. Mil. met onbepaald verlof vertrekken.

2025-12-17
Groot woordenboek der Nederlandsche taal

J.H. van Dale (1898)

AFZWAAIEN

Afzwaaien (zwaaide af, heeft en is afgezwaaid), met een zwaai afscheiden, afrukken, afbreken, hetzij door het voorwerp zelf in de rondte te zwaaien en daardoor af te rukken, hetzij door er met een slingerenden draai tegenaan te komen, zoodat het afbreekt: hij heeft den knop van den stok afgezwaaid; iem. den hoed van het hoofd afzwaaien; terwijl hij...

2025-12-17
Prisma Nederlands-Spaans

Unieboek | Het Spectrum (2025)

Wil je toegang tot alle 15 resultaten?

Ja, ik word vriend van Ensie!
2025-12-17
Prisma Nederlands-Frans

Unieboek | Het Spectrum (2025)