Wat is de betekenis van afwezig?

2020
2022-07-04
Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

afwezig

Het begrip afwezig heeft 3 verschillende betekenissen: 1) niet ter plaatse. zich niet bevindend op de plaats of bij de gebeurtenis waarvan sprake is; niet tegenwoordig; niet ter plaatse. 2) niet bestaande of beschikbaar. niet bestaande of niet voor gebruik beschikbaar op een bepaalde plaats; niet voorhanden; niet beschikbaar. 3)...

Lees verder
2019
2022-07-04
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

afwezig

afwezig - Bijvoeglijk naamwoord 1. niet op een bepaald tijdstip en plaats * Hij was afwezig op de vergadering, want hij was ergens anders. 3. geestelijk afgeleid, verstrooid Hij was afwezig op de vergadering, want je zag hem indutten. Woordherkomst Samenstellende afleiding v...

Lees verder
2018
2022-07-04
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

afwezig

afwezig - bijvoeglijk naamwoord uitspraak: af-we-zig 1. er niet zijn ♢ hoeveel studenten waren vandaag afwezig? 2. er met je gedachten niet bij ♢ wat zit je weer afwezig te kijken! Bi...

Lees verder
1952
2022-07-04
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Afwezig

adj. & adv., ôfwêzich; (in gedachten), yn 'e stúdzje (wei); — zitten staren, yn ’e nije, oare wike sjen.

1950
2022-07-04
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Afwezig

bn., 1. (van pers.) zich niet bevindende in zijn gewoon verblijf, van zijn woon- of werkplaats of van zijn gezelschap verwijderd : een meisje dat om een afwezige minnaar treurt; — afwezig blijven (met aanwijzing van zekere tijdruimte), zo lang elders vertoeven, van huis blijven: overmorgen reis ik naar Frankfort voor zaken; w...

Lees verder
1937
2022-07-04
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

afwezig

1. bn. (er niet zijnde, b.v. te huis, op zijn kantoor enz.: niet ter plaatse): een afwezige vriend: vader was afwezig; 2. afwezige, m. en v. afwezigen (afwezende; rechtst. iem., die zijn woonplaats verlaten heeft, zonder volmacht tot het waarnemen zijner zaken of zonder orde op het beheer zijner zaken gesteld te hebben).

Lees verder
1898
2022-07-04
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

AFWEZIG

Afwezig bn. (van een persoon) zich niet bevindende in zijn gewoon verblijf, van zijne woonplaats of van zijn gezelschap verwijderd een meisje dat om een afwezigen minnaar treurt; — afwezig blijven (met aanwijzing van zekere tijdruimte), zoo lang elders vertoeven, van huis blijven overmorgen reis ik naar Frankfort voor zaken; wellicht blijf ik...

Lees verder