Afspreken
(sprak af, heeft en is afgesproken), 1. bij mondelinge of schriftelijke overeenkoming vaststellen : wij hebben ons plan goed afgesproken ; ik heb met de uitgever afgesproken geen veranderingen in de proeven aan te brengen; het is dus (dan, alzo) afgesproken, wij zijn het dus eens. dat wij zó zullen handelen ; &mda...