Wat is de betekenis van Afpikken?

2020
2021-01-21
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

afpikken

(19e eeuw) (oorspr. jeugd) afpakken, pikken, kapen. • ‘Duvel op met je mooie praatjes’, zei Rudie verbolgen. ‘Het enige wat jij kan is andermans meisjes afpikken. Dat kan jij’, vervolgde hij met stemverheffing. (Soela, tijdschrift. 1962-1964) • Soms rukken wij uit met honderden zeilwagens tegelijk, onder luid ge-sc...

Lees verder
2019
2021-01-21
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

afpikken

afpikken - Werkwoord Woordherkomst samenstelling van af en pikken Synoniemen [1] ontnemen, afpakken, afhandig maken, afnemen, gappen, wegnemen

Lees verder
2018
2021-01-21
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

afpikken

afpikken - regelmatig werkwoord uitspraak: af-pik-ken 1. stiekem nemen wat niet van jou is ♢ meester, Pim heeft mijn gum afgepikt Regelmatig werkwoord: af-pik-ken ik pik af (... ik afpik) ...

Lees verder
2017
2021-01-21
Soldaten

Jargon & Slang van Soldaten

Afpikken

Afpikken - opgeven, niet op kunnen tegen. In ruimere zin ook: sterven. Gebiedende wijs pik het af! als gemeenzame verwensing, zoiets als val dood!. Endt (BW) denkt aan een ontlening aan de zeemanstaal, maar het woord behoorde wel degelijk tot het soldatenjargon. Het zou ingevoerd zijn tijdens de mobilisatie (1914-1918). Eigenaardig is wel dat er g...

Lees verder
1998
2021-01-21
Woordenboek van populaire uitdrukkingen

Marc De Coster ©, 1998

Afpikken

het- het opgeven; niet op kunnen tegen. In ruimere zin ook voor ‘sterven’. Imperatief pik het af. als informele verwensing, zoiets als val dood! Endt en Frerichs denken aan een ontlening aan de zeemanstaal, maar volgens het Woordenboek der Zeeuwse dialecten (Amsterdam 1984) zou het oorspr. een soldaten- uitdr. geweest zijn, ingevoerd tijdens de mob...

Lees verder
1950
2021-01-21
Dikke Van Dale

Nederlands woordenboek (7e druk)

Afpikken

(pikte af, heeft afgepikt), alles pikken, alles af doen wat er te pikken valt: zijn al die vaten al afgepiktl Ook AFPEKKEN.

1898
2021-01-21
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Afpikken

Het begrip afpikken heeft 4 verschillende betekenissen: 1. afpikken - AFPIKKEN, (pikte af, heeft afgepikt), (voorwerpen die zich op of aan iets anders bevinden) met den bek aangrijpen en wegnemen, wegpikken : de kippen hebben al de onderste bessen van de struiken afgepikt; — iem. iets afpikken, afhandig maken, hem vóór zijn bij...

Lees verder