Afmaken
(maakte af, heeft afgemaakt), 1. (w. g.) (iets dat aan of op iets anders vastzit) losmaken en wegnemen, maken dat het er af is : vlekken van een kleed, het roest van een degen afmaken; 2. een einde maken aan : een zaak in der minne afmaken, regelen, beëindigen : ze moeten die netelige zaak maar onder elka...