Aflezen
(las af, heeft en is afgelezen), 1. vruchten, bloemen enz. afplukken en bijeenzamelen; bomen, planten aflezen, ze van de vruchten en bloemen ontdoen; 2. (lezen in de gewone betekenis): het moois, het nieuws, het nieuwtje, de aardigheid enz. van een boek aflezen, er zó lang in lezen, dat men voor dat alles geen gevoel me...