Wat is de betekenis van Afdraaien?

2022
2022-12-09
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2022.

afdraaien

(1927) (Barg.) hard werken. Vooral in de verbindingen 'hem afdraaien', 'zijn piet afdraaien'. Vgl. zijn kloten* afdraaien. • Afdraaien (hem): hard werken (zijne piet -: labeuren) (Tijdschrift voor Neder-landse Taal- en Letterkunde. Jaargang 46. 1927: Bargoensch uit het begin van de twintigste eeuw)

Lees verder
2019
2022-12-09
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

afdraaien

afdraaien - Werkwoord Woordherkomst samenstelling van af en draaien Synoniemen [1] verwijderen, losmaken [2] afspelen Antoniemen [3] sluiten

Lees verder
2018
2022-12-09
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

afdraaien

afdraaien - regelmatig werkwoord uitspraak: af-draai-en 1. de knop omzetten zodat het niet meer werkt ♢ wil je wel het gas afdraaien als je klaar bent? 2. naar een andere kant draaien ♢ boos dra...

Lees verder
2017
2022-12-09
Studenten

Jargon & Slang van Studenten

Afdraaien

Afdraaien - een voordracht of toespraak houden. Vb.: Hij moet afdraaien.

1998
2022-12-09
drs. Toine van Hoof

AUTEUR VAN HET BRIDGE WOORDENBOEK - "BRIDGE OPZOEKBOEK" (UITGAVE 1998)

afdraaien

Van een kleur: de hoge of vrije kaarten van een kleur achter elkaar incasseren.

1997
2022-12-09
Vloeken

Prof. dr. P.G.J. van Sterkenburg: Vloeken, een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie (SDU, 2001).

afdraaien

zie snaar.

1973
2022-12-09
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Afdraaien

af'draaien (draaide af, heeft en is afgedraaid), 1. een zijwaartse richting nemen; hier draait men rechtsaf; 2. door draaien van iets anders verwijderen: zij draaide het hoofd af; ook wederk.: ik draaide mij van hem af; 3. door draaien afscheiden: een moer afdraaien; 4. de deur afdraaien, ze afsluiten door het omdraaien van de sleutel; de k...

Lees verder
1950
2022-12-09
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Afdraaien

(draaide af, heeft en is afgedraaid), 1. een zijwaartse richting nemen: hier draait men rechts af; de weg draait hier af; 2. door draaien van iets anders verwijderen: draai de gasarm wat van de muur af; — zij draaide het hoofd af; ook wederk.: ik draaide mij van hem af; — de brug af draaien, do...

Lees verder
1937
2022-12-09
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

afdraaien

draaide af, heeft afgedraaid: 1. door draaien iets van iets anders verwijderen: het hoofd afdraaien; 2. van een deuntje op een orgel: laten horen: de cavalleria afdraaien; 3. v. e. gramophoonplaat: laten aflopen: een nieuwe plaat afdraaien; 4. v. e. film: vertonen: een film afdraaien; 5. ongunstig: opdreunen: zijn les afdraaien.

Lees verder
1930
2022-12-09
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

afdraaien

('av) (draaide af, afgedraaid) I. (heeft) 1 door draaien scheiden : de knop van een rotting -; een vogel de kop -. 2. afkeren, doch gemeenzamer : het hootd -. 3. door het omdraaien van de sleutel afsluiten : de deur -. 4. op de draaibank afwerken : zijn de ballen ai gedraaid? 5. door draaien ten gehore brengen : een orgeldeuntje, een gramm...

Lees verder
1898
2022-12-09
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Afdraaien

AFDRAAIEN, (draaide af, heeft en is afgedraaid), eene zijwaartsche richting nemen : hier draait men rechts af; de weg draait hier af; — een schip draaien, afhouden; — door draaien van iets anders verwijderen : draai den gasarm wat van den muur af; — zij draaide het hoofd af, ook wederk.: ik draaide mij van hem af; — de br...

Lees verder