Aen (bijw.)
ane, an, bijw. — I. Van plaats. 1) Ter aanduiding van onmiddellijke aanraking, t. w. van wapenen en kleedingstukken die aan het lichaam gedragen worden; halsberch an; aen sijn, vast zijn, vastzitten, verbonden zijn. 2) van aanhechting of verbinding, aan, in, bij; alle doget was hem ane. 3) van aangrenzing of onmiddelli...