Wat is de betekenis van Aanzien?

2019
2021-01-17
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

aanzien

aanzien - Werkwoord 1. (ov) kijken naar Hij kon het niet meer aanzien. 2. (ov) ~ voor: beschouwen als Waar zie je me voor aan? 3. (ov) dulden, tolereren, kijken zonder te handelen Ik heb het nog een tij...

Lees verder
2018
2021-01-17
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

aanzien

aanzien - onregelmatig werkwoord uitspraak: aan-zien 1. er rustig naar kijken en nog niets doen ♢ we zullen het nog even aanzien voor we maatregelen nemen 2. bekijken ♢ hij zag Tina voor iemand...

Lees verder
2000
2021-01-17
Bijbels Lexicon

Door Karina van Dalen-Oskam & Marijke Mooijaart

Aanzien

Zonder aanzien des persoons, onafhankelijk van rang, stand of andere eigenschappen van de persoon; bij beoordelingen e.d.: onpartijdig. ‘Aanzien des persoons in het gericht is verkeerd’, zegt Spreuken 24:23 (NBG-vertaling). Aanzien heeft in deze uitdrukking de betekenis: het in acht nemen, mee laten wegen. De hierboven genoemde verbinding met zonde...

Lees verder
1982
2021-01-17
De Tale Kanaans

J. van Delden

aanzien

zich ontfermen over.

1973
2021-01-17
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

aanzien

aanzien - I. ww. (zag aan, heeft aangezien), 1. kijken in de richting van, zien naar, beschouwen (al of niet met aandacht): iemand met grote ogen —, verbaasd, verwonderd; uit de hoogte —, met minachtende fierheid; over de schouder —, met minachting; met de nek —, met verachting bejegenen; iemand ergens op -, verdacht houden van; 2. (bij iets) lijde...

Lees verder
1950
2021-01-17
Dikke Van Dale

Nederlands woordenboek (7e druk)

Aanzien

I. ww. (zag aan, heeft aangezien; Zuidn. ook onscheidb. : aanzag, heeft aanzien; in hog.st. ook in de gebiedende wijs aanziet), 1. kijken in de richting van, zien naar, beschouwen (al of niet met aandacht): zie me dat lieve leventje eens aan! iem. met grote ogen aanzien, verbaasd, venvonderd; — iem. met goede ogen aanzien,...

Lees verder
1936
2021-01-17
Koenen woordenboek

Koenen woordenboek 1936

aanzien

1 zag h. -gezien (1 naar iets of iem. met aandacht, met geduld kijken; 2 iem. in de ogen zien om hem op iets opmerkzaam te maken of een gemoedsstemming te kennen te geven; 3 beschouwen als): 1 hij zag dat toneel glimlachend -; wij zullen dat nog een tijdje -, dulden; 2 wij zagen elkaar - en begrepen elkaar; iem. vragend, smekend -; 3 met als en...

Lees verder
1926
2021-01-17
Christelijke encyclopedie

Geschreven onder redactie van theoloog F.W. Grosheide, 1925-1931

Aanzien

Dit woord wordt in de H. Schrift gebruikt van God en van de menschen. I. Van God beteekent het 1. in het algemeen gadeslaan (Gen. 1 : 31 : „God zag al wat Hij gemaakt had, en ziet, het was zeer goed”), maar 2. een aanschouwen met groote liefde en genegenheid (Ex. 2 : 25 : „En God zag de kinderen Israëls aan en Hij kende ze&...

Lees verder
1898
2021-01-17
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Aanzien

zie Aanblikken.