Wat is de betekenis van Aanzien?

2019
2023-01-29
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

aanzien

aanzien - Werkwoord 1. (ov) kijken naar Hij kon het niet meer aanzien. 2. (ov) ~ voor: beschouwen als Waar zie je me voor aan? 3. (ov) dulden, tolereren, kijken zonder te handelen Ik heb het nog een tij...

Lees verder
2018
2023-01-29
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

aanzien

aanzien - onregelmatig werkwoord uitspraak: aan-zien 1. er rustig naar kijken en nog niets doen ♢ we zullen het nog even aanzien voor we maatregelen nemen 2. bekijken ♢ hij zag Tina voor iemand...

Lees verder
2004
2023-01-29
Vlaams-Nederlands woordenboek

Peter Bakema

aanzien

(aanzag, aanzien) - iemand/iets aanzien als/voor, iemand/iets beschouwen als, iemand/iets houden voor [in België vaak zonder de implicatie dat dit onterecht gebeurt] De glastekeningen van de Gentse kunstenaar Christoph Fink zorgen voor een speels accent, al kan een onwetende passant ze ook aanzien voor niet-bedoelde graffiti. - HN, 28-...

Lees verder
2000
2023-01-29
Bijbels Lexicon

Door Karina van Dalen-Oskam & Marijke Mooijaart

Aanzien

Zonder aanzien des persoons, onafhankelijk van rang, stand of andere eigenschappen van de persoon; bij beoordelingen e.d.: onpartijdig. ‘Aanzien des persoons in het gericht is verkeerd’, zegt Spreuken 24:23 (NBG-vertaling). Aanzien heeft in deze uitdrukking de betekenis: het in acht nemen, mee laten wegen. De hierboven genoemde verbinding met zonde...

Lees verder
1982
2023-01-29
De Tale Kanaans

J. van Delden

aanzien

zich ontfermen over.

1973
2023-01-29
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

aanzien

aanzien - I. ww. (zag aan, heeft aangezien), 1. kijken in de richting van, zien naar, beschouwen (al of niet met aandacht): iemand met grote ogen —, verbaasd, verwonderd; uit de hoogte —, met minachtende fierheid; over de schouder —, met minachting; met de nek —, met verachting bejegenen; iemand ergens op -, verdacht houden van; 2. (bij iets) lijde...

Lees verder
1952
2023-01-29
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Aanzien

1. s.n., oansjen (it); (uiterlijk), oansjoch (it), útsjoch (it); een betergekregen hebben, út oare eagen sjen; een vreemdhebben, nuver postuer(j)e. 2. v., oansjen; iets met kunnen — eat net hawwe kinne; zich goed, slecht laten —, goed, min lyk...

Lees verder
1950
2023-01-29
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Aanzien

I. ww. (zag aan, heeft aangezien; Zuidn. ook onscheidb. : aanzag, heeft aanzien; in hog.st. ook in de gebiedende wijs aanziet), 1. kijken in de richting van, zien naar, beschouwen (al of niet met aandacht): zie me dat lieve leventje eens aan! iem. met grote ogen aanzien, verbaasd, venvonderd; — iem. met goede ogen aanzien,...

Lees verder
1937
2023-01-29
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

aanzien

1 zag h. -gezien (1 naar iets of iem. met aandacht, met geduld kijken; 2 iem. in de ogen zien om hem op iets opmerkzaam te maken of een gemoedsstemming te kennen te geven; 3 beschouwen als): 1 hij zag dat toneel glimlachend -; wij zullen dat nog een tijdje -, dulden; 2 wij zagen elkaar - en begrepen elkaar; iem. vragend, smekend -; 3 met als en...

Lees verder
1926
2023-01-29
Christelijke encyclopedie

Geschreven onder redactie van theoloog F.W. Grosheide, 1925-1931

Aanzien

Dit woord wordt in de H. Schrift gebruikt van God en van de menschen. I. Van God beteekent het 1. in het algemeen gadeslaan (Gen. 1 : 31 : „God zag al wat Hij gemaakt had, en ziet, het was zeer goed”), maar 2. een aanschouwen met groote liefde en genegenheid (Ex. 2 : 25 : „En God zag de kinderen Israëls aan en Hij kende ze&...

Lees verder
1898
2023-01-29
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Aanzien

zie Aanblikken.

1864
2023-01-29
Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal

I.M. Calisch (1864)

Aanzien

Aanzien, bw. ow. onr. (ik zag aan, heb aangezien), de oogen (naar iets of iem.) rigten, het oog op (iets of iem.) vestigen; beschouwen, aanschouwen; oordeelen (over iets); medelijden hebben (met); schijnen als of. *-, o. gmv. gezigt, uiterlijk, aanblik, hoedanigheid; (fig.) achting, eer, onderscheiding; gewigt, invloed; tegenwoordigheid; zonder - (...

Lees verder